Uitspraak
Uitspraak van 28 april 2021
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Loop van het geding
Vaststaande feiten
Oordeel van de Rechtbank
Beoordeling van het geschil
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat de betaalde hypotheekrente voor twee woningen, te weten een woning te [woonplaats 2] en een recreatiewoning te [woonplaats 3], aftrekbaar moest zijn als kosten eigen woning voor de jaren 2015 en 2016. De Inspecteur betwistte dit en wees erop dat de woning te [woonplaats 3] een recreatiewoning betreft die niet permanent bewoond mag worden en daarom niet als eigen woning kwalificeert.
De Rechtbank had het beroep voor 2015 ongegrond verklaard en voor 2016 gegrond, waarbij de aanslag voor 2016 werd verminderd. Het Hof bevestigde echter dat de woning te [woonplaats 2] als eigen woning kwalificeert en dat de hypotheekrente daarvoor terecht in aftrek is genomen. De woning te [woonplaats 3] kwalificeert niet als eigen woning omdat deze recreatiewoning slechts tijdelijk ter beschikking stond en regelmatig werd verhuurd.
Verder oordeelde het Hof dat het leerstuk van interne compensatie van toepassing is op het eigenwoningforfait, waardoor het eigenwoningforfait van de woning te [woonplaats 3] wordt gecompenseerd door dat van de woning te [woonplaats 2]. Ook werd geoordeeld dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning te [woonplaats 2] leeg stond gedurende de relevante periode.
Ten aanzien van specifieke zorgkosten werd vastgesteld dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor aftrek van bepaalde kosten, zoals dieetkosten en fysiotherapie. De advocaatkosten werden niet als aftrekbare zorgkosten erkend. Het beroep in hoger beroep werd uiteindelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat alleen de woning te [woonplaats 2] als eigen woning kwalificeert met recht op hypotheekrenteaftrek en wijst het hoger beroep van belanghebbende af.