De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag inzake vorderingen op de nalatenschap van haar overleden echtgenoot. Zij vordert onder meer een verklaring voor recht dat zij een vordering heeft op de nalatenschap en dat deze verrekend moet worden met een eerder vastgesteld bedrag dat zij aan de nalatenschap verschuldigd is.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de vrouw geen recht had op betaling van de verkoopopbrengst van onroerende zaken waarvan zij mede-eigenaar was, omdat deze panden feitelijk aan de erflater toebehoorden. Het hof constateert echter dat dit onjuist is en stelt vast dat de vrouw recht heeft op haar aandeel in de verkoopopbrengst van circa € 200.619,65.
Vervolgens beoordeelt het hof de verrekeningsmogelijkheid tussen deze vordering en de schuld van de vrouw aan de nalatenschap, vastgesteld op € 266.083,47 in het vonnis van 2009. Het hof oordeelt dat aan de vereisten voor verrekening is voldaan, waardoor een restschuld van € 65.463,82 plus rente resteert.
Ten aanzien van andere vorderingen van de vrouw, met name betalingen die zij stelt te hebben gedaan voor de nalatenschap, oordeelt het hof dat onvoldoende is aangetoond dat deze uit eigen vermogen zijn betaald, zodat deze vorderingen worden afgewezen. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.