ECLI:NL:GHDHA:2021:936
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verdeling nalatenschap en beperkte toewijzing aanvullende vorderingen erfgenaam
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van een erfgenaam tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag over de verdeling van de nalatenschap van hun moeder, overleden in 2004. De erfgenamen zijn broers en zussen, waarbij appellant diverse vorderingen op de nalatenschap en individuele erfgenamen had ingediend.
De kern van het geschil betrof onder meer de omvang van de nalatenschap, kosten van huishouding, grafrechten, proceskosten, gebruik van woonruimte, successierechten, een beweerde huurkoopovereenkomst en betaling van huishoudgeld. Het hof ging uit van de feiten vastgesteld door de rechtbank, die niet in hoger beroep waren betwist.
Het hof verwierp de meeste grieven van appellant wegens onvoldoende bewijs, gebrek aan concrete onderbouwing of verjaring. Wel werd een bedrag van € 395,- aan betaalde grafrechten en een correctie van € 13,- op de successierechten toegewezen. De overige vorderingen, waaronder kosten van huishouding, gebruiksvergoeding woonruimte, huurkoopvordering en betaling huishoudgeld, werden afgewezen.
De notaris had de nalatenschap conform het vonnis van de rechtbank afgewikkeld en alle erfgenamen hadden hun deel ontvangen. Het hof bevestigde het bestreden vonnis en bepaalde dat de overige erfgenamen appellant elk nog een klein bedrag verschuldigd zijn. De kosten van de procedure werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst een beperkte aanvullende vordering toe waarbij de overige erfgenamen appellant elk € 68,40 verschuldigd zijn.