ECLI:NL:GHDHA:2022:118
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing oude uiterste wilsbeschikking en wettelijke verdeling bij nalatenschap
In deze civiele zaak staat centraal of de wettelijke verdeling zoals neergelegd in artikel 4:13 BW Pro van toepassing is op een uiterste wilsbeschikking die vóór 2003 is gemaakt, terwijl de erflater na die datum is overleden. De erflater had in zijn testament uitdrukkelijk zijn kinderen en zijn partner benoemd tot erfgenamen met specifieke breukdelen en een legaat van gebruiksrecht voor drie jaar toegekend aan zijn partner.
Het hof overweegt dat de uiterste wilsbeschikking onder het oude recht geldig blijft en dat de wettelijke verdeling niet automatisch van toepassing is. De rechtbank had geoordeeld dat de omstandigheden en de bedoeling van de erflater leiden tot het buiten toepassing laten van de wettelijke verdeling, hetgeen het hof onderschrijft. De partner is niet de enige gerechtigde tot de nalatenschap en de kinderen zijn erfgenamen met een geldvordering.
Verder wijst het hof de vorderingen af die de waardering van het legaat willen betrekken op de vorderingen van de kinderen, omdat dit legaat geen economische waarde heeft. Ten slotte veroordeelt het hof appellante tot betaling van een overbedelingsbedrag aan de kinderen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 april 2021, en compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de wettelijke verdeling niet van toepassing is en veroordeelt appellante tot betaling van overbedeling aan de kinderen met wettelijke rente.