In deze zaak staat een geschil centraal over een erfdienstbaarheid die appellant het recht geeft zijn auto te parkeren in de garage van verweerder en over diens erf naar zijn woning te gaan. Appellant vordert dat verweerder hem ongehinderd gebruik laat maken van deze erfdienstbaarheid, terwijl verweerder een aanpassing van de erfdienstbaarheid wil.
De rechtbank wees beide vorderingen af wegens gebrek aan spoedeisend belang. In hoger beroep stelt appellant dat verweerder hem belemmeringen oplegt, zoals het onbereikbaar maken van de garagedeur, het plaatsen van obstakels op het overpad en het uitschakelen van het licht in de garage. Verweerder betwist dit en beroept zich op het recht om de garage op de minst bezwarende wijze in te richten.
Het hof oordeelt dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op gebruik van de garage op de gebruikelijke wijze zoals afgesproken in een eerdere procedure, mede gelet op zijn rolstoelafhankelijkheid. Verweerder moet de garage zo ter beschikking stellen dat appellant zijn auto op die wijze kan parkeren. Ook moet verweerder het recht van overpad van appellant vrijhouden van belemmeringen. Het incidenteel hoger beroep van verweerder om de erfdienstbaarheid aan te passen wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank, beveelt verweerder binnen 24 uur de garage beschikbaar te stellen, verbiedt belemmeringen van het overpad, legt een dwangsom op en veroordeelt verweerder in de proceskosten.