ECLI:NL:GHDHA:2022:1376

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 augustus 2022
Publicatiedatum
26 juli 2022
Zaaknummer
200.295.122/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting werkgever tot betaling pensioenpremies aan vier fondsen bevestigd

De Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek en drie andere fondsen vorderden van Climate Group Europort B.V. (CGE) betaling van pensioen- en premieafdrachten op grond van een verplichtstellingsbeschikking en cao’s. CGE voerde aan niet onder de werkingssfeer te vallen omdat zij slechts twee werknemers had die tevens aandeelhouder waren. De kantonrechter wees de vorderingen af omdat de fondsen niet aannemelijk hadden gemaakt dat CGE werknemers in dienst had.

In hoger beroep stelde het hof vast dat CGE tot 1 juli 2018 wel degelijk werknemers in dienst had die onder de verplichtstelling vielen, en dat de werknemers per 1 juli 2018 waren overgegaan naar een andere vennootschap. CGE had de premies tot het eerste kwartaal 2019 voldaan, maar daarna niet meer. De fondsen vorderden betaling van een hoofdsom van ruim €4.000 plus wettelijke rente vanaf februari 2020.

Het hof oordeelde dat CGE gehouden is de premies over de periode tot 1 juli 2018 te betalen, inclusief wettelijke rente. De vordering tot boete en buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onduidelijkheid en gebrek aan onderbouwing. Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en CGE werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente en proceskosten.

Uitkomst: CGE wordt veroordeeld tot betaling van pensioenpremies en wettelijke rente over de periode tot 1 juli 2018, met afwijzing van boete en incassokosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer hof : 200.295.122/01
Zaaknummer rechtbank : 8366695 CV EXPL 20-7369
Arrest
in de zaak van

1.Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,

2. Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Technisch Installatiebedrijf,

3. Stichting Sociaal Fonds Metaal en Techniek,

4. Stichting Private Aanvulling WW en WGA Metaal en Techniek,

alle gevestigd in Den Haag,
appellanten,
advocaat: mr. J. Verbeeke kantoorhoudend in Gouda,
tegen
Climate Group Europort B.V,
gevestigd in Stellendam, gemeente Goeree-Overflakkee,
verweerster,
niet verschenen.
Het hof zal appellanten hierna gezamenlijk noemen de Fondsen en elk afzonderlijk respectievelijk Fonds 1, Fonds 2, Fonds 3 en Fonds 4. Het hof zal verweerster noemen CGE.

1.De zaak in het kort

1.1
Een werkgever in de metaal en techniek is op grond van een verplichtstellingsbeschikking en cao’s gehouden om voor werknemers die bij haar in dienst zijn (geweest) aan de Fondsen premies te betalen. In deze zaak is aan de orde of CGE om die reden (nog) bedragen verschuldigd is aan de Fondsen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 18 mei 2021, waarmee de Fondsen in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van
26 februari 2021;
- de memorie van grieven van de Fondsen, met bijlagen.
Aan CGE is verstek verleend.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
In artikel 1 van Pro de op artikel 10, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 gebaseerde verplichtstellingsbeschikking van 7 januari 2010 (hierna: de verplichtstellingsbeschikking), is bepaald dat deelneming in Fonds 1 verplicht is gesteld voor, kort gezegd, werknemers die in hoofdzaak werkzaamheden verrichten die betrekking hebben op het monteren, repareren e.d. van installaties voor centrale verwarming e.d.. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in collectieve arbeidsovereenkomsten aangaande Fonds 2, Fonds 3 en Fonds 4.
3.2
Bij brief van 29 januari 2013 betreffende ‘Verplichte deelneming bedrijfstakregeling Metaal en Techniek’ hebben de Fondsen aan ‘Air Control Europoort B.V’ bericht dat zij is ingeschreven onder werkgeversnummer 201657. Verder heeft zij geschreven:

(…)U bent vanaf 01-11-2012 verplicht om deel te nemen aan:- NV Schadeverzekering Metaal en Tech. Bedrijfstakken (…)- O & O voor het Technisch Installatiebedrijf (…)- Pensioenfonds Metaal en Techniek (…)- Sociaal Fonds Metaal en Techniek (…)Uw werknemers verrichten sinds 01-11-2012 in hoofdzaak de volgende werkzaamheden: Monteren, repareren e.d. van installaties voor centrale verwarming e.d. (…)
3.3
CGE heeft in verband met deze verplichting diverse keren loon- en premiegegevens bij de Fondsen aangeleverd en heeft tot aan het tweede kwartaal van 2019 alle nota’s van de Fondsen voldaan. Nadien bleek de administratie van CGE niet op orde, hetgeen heeft geresulteerd in naheffingen.
3.4
Uittreksels uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel gedateerd op 4 mei 2018 en 12 mei 2021 vermelden als KvK-nummer van CGE 20086369 en als handelsnamen ‘Climate Group Europort B.V’ en ‘Air Control Europort’. Bij activiteiten staat: ‘SBI-code: 6420 - Financiële Holdings Beheermaatschappij’ en bij werkzame personen: ‘2’.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
De Fondsen hebben CGE gedagvaard en, na vermindering van eis, gevorderd dat aan Fonds 1 wordt betaald € 6.795,14, aan Fonds 2 € 469,53, aan Fonds 3 € 91,76 en aan Fonds 4 € 13,56, elk van deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente per maand vanaf 18 februari 2020 tot aan de voldoening, met veroordeling van CGE in de proceskosten.
4.2
Volgens de Fondsen is CGE een werkgever in de metaal en techniek en uit dien hoofde verplicht aangesloten bij de Fondsen. CGE heeft niet voldaan aan (al haar) betalingsverplichtingen jegens de Fondsen.
4.3
CGE voert aan dat zij gelet op de omschrijving van haar activiteiten in het handelsregister niet onder de werkingssfeer van de Fondsen valt en dat zij slechts twee werknemers in dienst heeft. Deze twee zijn tevens aandeelhouder en vallen niet onder de verplichtstelling, aldus CGE.
4.4
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en de Fondsen in de op nihil begrote kosten veroordeeld. Daartoe heeft zij overwogen dat de Fondsen op de op 10 oktober 2020 gehouden comparitie na tussenvonnis hebben erkend dat CGE geen werknemers in dienst heeft. Gelet daarop hadden zij moeten onderbouwen waarom zij bij akte na tussenvonnis wél het uitgangspunt hanteren dat er werknemers in dienst zijn (geweest).

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
De Fondsen zijn in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens zijn met het vonnis. Zij hebben verschillende bezwaren tegen het vonnis aangevoerd. De Fondsen vorderen hetzelfde als bij de kantonrechter.
5.2
Kort gezegd zien de bezwaren van de Fondsen op het volgende.
Het is onjuist dat er behalve de twee aandeelhouders die niet onder de verplichtstelling vallen geen werknemers in dienst zijn (geweest) bij CGE. Uit de in hoger beroep overgelegde historische uittreksels uit het handelsregister volgt dat CGE, de vennootschap met handelsregisternummer 20086369, vanaf 1997 activiteiten heeft verricht op het gebied van airco-, verwarming- en luchttechniekinstallaties en dat zij van 1 oktober 2012 tot 19 december 2014 de statutaire naam Air Control Europe B.V. heeft gevoerd. Met ingang van 19 december 2014 is de statutaire naam gewijzigd in de huidige statutaire naam. Het gaat steeds om dezelfde vennootschap die vanaf 1 november 2012 bij de Fondsen is aangemeld en tot en met het eerste kwartaal van 2019 de verschuldigde bijdragen aan de Fondsen heeft betaald (vgl. rov. 3.2 en 3.3). Eveneens op 19 december 2014 is een nieuwe vennootschap opgericht met de statutaire naam Air Control Europort B.V., die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven onder nummer 62129570 en waarvan CGE de statutair bestuurder en enig aandeelhouder is (hierna: de nieuwe vennootschap). Uit gegevens die de Fondsen van CGE hebben ontvangen, waaronder loonstroken, volgt, in combinatie met de gegevens van het UWV, dat de werknemers van CGE per 1 juli 2018 naar de nieuwe vennootschap zijn overgegaan. Deze vennootschap is bij de Fondsen ingeschreven onder een nieuw werkgeversnummer. In eerste aanleg hebben de Fondsen in verband met het voorgaande de vorderingen die zien op de periode na 1 juli 2018 gecrediteerd. De verschuldigde premies tot 1 juli 2018 moeten door CGE worden voldaan. Omdat deze niet stipt zijn voldaan, is CGE rente en een boete, althans buitengerechtelijke incassokosten, verschuldigd, aldus steeds de Fondsen.
5.3
CGE heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
De hiervoor onder 5.2 weergegeven stellingen van de Fondsen zijn niet weersproken.
6.2
In eerste aanleg heeft CGE zich, onder verwijzing naar haar bedrijfsomschrijving (vgl. rov. 3.4), op het standpunt gesteld dat haar bedrijf niet onder de werkingssfeer van de Fondsen valt. Dat verweer gaat niet op.
6.3
Als onweersproken staat vast dat, behoudens naheffingen (vgl. rov. 3.3.), CGE de nota’s van de Fondsen tot en met het eerste kwartaal van 2019 zonder protest heeft voldaan.
6.4
De Fondsen hebben aan de hand van door CGE verstrekte informatie een overzicht gegeven van de medewerkers die tot 1 juli 2018 bij CGE in dienst zijn geweest, en daarbij de tijdvakken vermeld waarover voor deze medewerkers geen premies en bijdragen zijn betaald. Per saldo is volgens de Fondsen nog een totaalbedrag van € 4.043,05 over de periode tot 1 juli 2018 verschuldigd aan hoofdsom.
6.5
Het hof gaat er daarom vanuit dat CGE tot 1 juli 2018 werknemers in dienst had die in hoofdzaak werkzaamheden verrichtten op het gebied van airco-, verwarming- en luchttechniek installaties, waardoor zij viel onder de werkingssfeer van de Fondsen. Als onweersproken staat eveneens vast dat de werknemers van CGE per 1 juli 2018 zijn overgegaan naar de nieuwe vennootschap. De omstandigheid dat CGE zich op het standpunt heeft gesteld dat zij (thans) alleen twee werknemers in dienst heeft die niet onder de verplichtstellingsbeschikking vallen, doet hieraan niet af.
6.6
Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1, 2 en 4 slagen en de gevorderde hoofdsom toewijsbaar is. Volgens de Fondsen is in hoofdsom verschuldigd: aan Fonds 1 € 3.784,79, aan Fonds 2: € 205,11; aan Fonds 3 € 38,74 en aan Fonds 4: € 14,41. Voor wat betreft de vordering van Fonds 4 houdt het hof € 13,56 (de resterende vordering na vermindering van eis) aan aangezien dat bedrag het laagst is.
6.7
Grief 3 richt zich tegen de afwijzing van de vordering met betrekking tot de wettelijke rente en de boete/buitengerechtelijke incassokosten. Het is het hof niet geheel duidelijk wat de Fondsen bedoelen met "wettelijke rente per maand" en evenmin is voor het hof duidelijk vanaf wanneer en over welke bedragen – na eisvermindering – rente wordt gevorderd. Het hof begrijpt dat de Fondsen in ieder geval wettelijke rente (ex art. 6:119 BW Pro) vorderen vanaf 18 februari 2020 tot aan de datum van voldoening. Deze zal – als onweersproken – worden toegewezen over de hoofdsom.
6.8
De Fondsen stellen dat de verder nog gevorderde boete/buitengerechtelijke incassokosten onderdeel zijn van de onder 4.1 weergegeven vordering. Die vordering is terug te voeren op de factuur van 14 augustus 2019 die, zo stellen zij ook, voor in totaal € 25.886,94 is gecrediteerd waarna de in rov. 6.4 vermelde hoofdsom resteert. Bij de sommatie van 9 oktober 2019 hebben zij een boete, althans buitengerechtelijke incassokosten, in rekening gebracht van 10% omdat de factuur van 14 augustus 2019 niet was voldaan. Die boete wensen zij te handhaven omdat het van groot belang is dat bedragen zoals de pensioenpremie stipt kunnen worden geïncasseerd. Het hof zal deze vordering als onbegrijpelijk afwijzen. Immers: van de vordering van € 29.929,99 is € 25.886,94 als niet verschuldigd door de Fondsen gecrediteerd. Niet inzichtelijk en onbegrijpelijk is waarom dan over een niet verschuldigd bedrag boete en/of buitengerechtelijke kosten in rekening worden gebracht. De Fondsen hebben dat niet toegelicht en hebben evenmin een nieuwe berekening gemaakt naar aanleiding van de herziening van de vordering. Dat had op de weg van de Fondsen gelegen aangezien op hen de stelplicht rust. In zoverre faalt grief 3 dus.
Conclusie en proceskosten
6.9
De conclusie is dat het hoger beroep van de Fondsen (gedeeltelijk) slaagt. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen en, met inachtneming van hetgeen in rov. 6.8 is overwogen, alsnog een veroordeling uitspreken. Het hof zal CGE als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. Aangezien de Fondsen gezamenlijk zijn opgetrokken, zal voor wat betreft de proceskostenveroordeling tussen hen geen onderscheid worden gemaakt.

7.Beslissing

Het hof:
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 26 februari 2021
en opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt CGE om aan Fonds 1 te betalen € 3.784,79 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2020 tot de voldoening;
  • veroordeelt GCE om aan Fonds 2 te betalen € 205,11 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2020 tot de voldoening;
  • veroordeelt GCE om aan Fonds 3 te betalen € 38,74 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2020 tot de voldoening;
  • veroordeelt GCE om aan Fonds 4 te betalen € 13,56 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2020 tot de voldoening;
  • veroordeelt GCE in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg, tot aan de dag van de uitspraak in eerste aanleg aan de zijde van de Fondsen vastgesteld op € 1.096,89 aan verschotten en € 996,- aan salaris gemachtigde;
  • veroordeelt GCE in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Fondsen tot op heden begroot op € 2.209,81 aan verschotten en € 787,- aan salaris advocaat;
  • verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.T. Nijhuis, M.J. van der Ven en F.J. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2022 in aanwezigheid van de griffier.