Deze zaak betreft het hoger beroep van de man tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek tot verlaging van de partneralimentatie aan zijn ex-partner. De echtscheiding werd uitgesproken in 2018, met een convenant waarin een vaste alimentatiebedrag was afgesproken tot 2020. De man stelde dat zijn draagkracht was verminderd door toetreding van nieuwe leden tot de coöperatieve vereniging waarin hij lid is, waardoor zijn winstaandeel daalde.
Het hof oordeelde dat van de vrouw niet verwacht kan worden dat zij haar verdiencapaciteit verder uitbreidt, gelet op haar leeftijd, beperkte opleiding, gezondheid en traditionele rolverdeling tijdens het huwelijk. De vrouw heeft volgens het hof voldoende inspanningen geleverd om haar werkzaamheden uit te breiden.
Wat betreft de man concludeerde het hof dat de inkomensdaling niet verwijtbaar of vermijdbaar was, aangezien de toetreding van nieuwe leden noodzakelijk was voor continuïteit van de onderneming en de man niet de volledige zeggenschap had. Het hof berekende de draagkracht van de man opnieuw op basis van de jaarrekeningen 2020 en 2021 en stelde de partneralimentatie dienovereenkomstig vast op € 3.526,- bruto per maand vanaf 1 maart 2020 en € 2.926,- bruto per maand vanaf 1 januari 2021.
Het hof wees een terugbetalingsverplichting van teveel betaalde alimentatie af en compenseerde de proceskosten in hoger beroep. De beschikking van de rechtbank werd gedeeltelijk vernietigd en vervangen door deze nieuwe vaststelling.