De zaak betreft het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag waarbij verdachte deels werd vrijgesproken en deels veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf. Het hof behandelt alleen het hoger beroep tegen het onder 3 tenlastegelegde feit, namelijk bedreiging met een vuurwapen.
De verdachte en een medeverdachte hadden op 4 september 2019 een confrontatie met de aangever waarbij volgens de tenlastelegging met een vuurwapen op de aangever zou zijn geschoten. De medeverdachte verklaarde ter zitting dat hij met een neppistool had geschoten, waarbij geen kogels werden afgevuurd. De aangever had een wond die mogelijk een schampschot zou kunnen zijn, maar het hof kon dit niet vaststellen op basis van het dossier en medische informatie.
Het hof oordeelt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de medeverdachte met een echt vuurwapen heeft geschoten en dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. Daarom spreekt het hof de verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde. Voor de overige bewezenverklaarde feiten legt het hof een gevangenisstraf van 4 jaar op, met aftrek van voorarrest. Tevens worden bepaalde inbeslaggenomen telefoons verbeurd verklaard.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt afgewezen omdat het tenlastegelegde feit waarvoor schadevergoeding wordt gevorderd niet bewezen is. De benadeelde partij wordt veroordeeld in de kosten van de verdediging van de verdachte tot aan deze uitspraak.