De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake haar echtscheiding. Het hof heeft de ontvankelijkheid van het hoger beroep onderzocht, waarbij bleek dat de vrouw niet tijdig verschillende essentiële stukken uit de eerste aanleg heeft overgelegd, ondanks meerdere verzoeken en termijnen die het hof haar heeft gegeven.
De advocaat van de vrouw heeft pas tijdens de zitting de ontbrekende stukken willen indienen, maar het hof heeft dit geweigerd wegens strijd met de goede procesorde. De vrouw heeft geen plausibele verklaring gegeven voor de late indiening, terwijl de man heeft benadrukt dat hij belang heeft bij een snelle afhandeling van de echtscheiding, mede vanwege zijn nieuwe gezinssituatie.
Het hof concludeert dat de procedure door het handelen van de vrouw aanzienlijke vertraging heeft opgelopen en dat dit een zodanige schending van de goede procesorde vormt dat niet-ontvankelijkverklaring gerechtvaardigd is. Daarom verklaart het hof het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk.