Deze zaak betreft de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader zonder gezag. De gecertificeerde instelling had verzocht om verlenging van de machtiging met drie maanden, welke door de rechtbank was toegewezen. De vader kwam in hoger beroep omdat hij een langere verlenging wenste.
Het hof stelt vast dat het in hoger beroep niet mogelijk is om buiten de grenzen van het oorspronkelijke verzoek te treden. De vader wilde een verlenging van een jaar, terwijl slechts drie maanden waren verzocht. Het hof kan daarom niet aan dit verzoek voldoen en verklaart de vader niet-ontvankelijk.
Daarnaast wilde de vader dat het hof oordeelde over de gang van zaken rondom de uithuisplaatsing en een onderzoek naar het perspectief van de minderjarige verrichtte. Het hof weigert dit omdat het verzoek niet duidelijk is en het hof niet inhoudelijk kan oordelen vanwege de niet-ontvankelijkheid.
De bestreden beschikking, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd tot 21 juli 2022, blijft daarmee in stand. De beslissing is uitgesproken door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag op 7 september 2022.