ECLI:NL:GHDHA:2022:2089

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 oktober 2022
Publicatiedatum
19 oktober 2022
Zaaknummer
2200539817
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a Opiumwet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen invoer cocaïne

In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam vernietigd waarin verdachte was veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor het medeplegen van invoer van circa 703 kilogram cocaïne.

Het hof constateert sterke aanwijzingen dat verdachte enige wetenschap had van de invoer van de drugs op een kotter in de haven van Den Helder, maar oordeelt dat het bewijs onvoldoende is om medeplegen wettig en overtuigend vast te stellen. Voor het subsidiair ten laste gelegde alleen plegen ontbreekt elk bewijs.

Daarom spreekt het hof de verdachte vrij van het tenlastegelegde. Tevens beveelt het hof de teruggave van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, waaronder een autosleutel van een Lancia.

De advocaat-generaal had een gevangenisstraf van 5 jaar en 6 maanden geëist, maar het hof volgt dit niet vanwege het ontbreken van voldoende bewijs.

Het arrest is uitgesproken door een meervoudige kamer van het hof op 20 oktober 2022.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen invoer cocaïne.

Uitspraak

PROMIS
Rolnummer: 22-005398-17
Parketnummer: 10-960148-15
Datum uitspraak: 20 oktober 2022
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
BRP-adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp en is de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Hij, op of omstreeks 21 januari 2015, te Den Helder, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 703 kilogram cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat er sterke aanwijzingen zijn dat de verdachte enige wetenschap moet hebben gehad van de invoer van een partij verdovende middelen op de kotter, de [kotter HD], die in de nacht van 21 januari 2015 kwam binnenvaren in de haven van Den Helder. De vraag is evenwel of er voldoende bewijs is om een genoegzame juridische duiding te kunnen geven aan een eventuele rol van de verdachte. Voor het impliciet subsidiair ten laste gelegde ‘plegen’ (in de zin van: alleen plegen) ontbreekt ieder bewijs. Voor het impliciet primair ten laste gelegde ‘medeplegen’ ontbreekt naar het oordeel van het hof voldoende bewijs. De rechtspraak van de Hoge Raad stelt bepaalde eisen aan ‘medeplegen’ en die kunnen in dit geval niet met voldoende bewijsmiddelen worden belegd. Aldus kan niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Beslag
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, zal het hof ten aanzien van het
inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp de teruggave aan de verdachte gelasten.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. autosleutel Lancia.
Dit arrest is gewezen door mr. V.M. de Winkel, mr. A. de Lange en mr. G.C. Haverkate, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 oktober 2022.