Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 30 augustus 2022
[appellant] ,
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
Het verloop van het geding
De beoordeling van het hoger beroep
Tribunal Correctionnel de Toursvan 23 oktober 2003 is [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar wegens, kort gezegd, drugshandel, gepleegd in/omstreeks 2000.
Cour d’appel d’Orléansvan 24 oktober 2011.
Deze wet is niet van toepassing op rechterlijke uitspraken (…) die vóór 5 december 2011 onherroepelijk zijn geworden.
Cour de Cassationhet cassatieberoep van [appellant] tegen het onder 1.d genoemde arrest van het
Cour d’appel d’Orléansvan 24 oktober 2011 verworpen, waardoor diens Franse veroordeling op die datum onherroepelijk is geworden.
Cour d’appel d’Orléansvan 24 oktober 2011 en tenuitvoerlegging van de Franse straf. Bij dit verzoek was een certificaat van dezelfde datum in de zin van artikel 4 Kaderbesluit Pro gevoegd.
Van Vemde’ heeft het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) geoordeeld dat artikel 28 lid Pro 2, eerste zin, Kaderbesluit zo moet worden uitgelegd dat het slechts ziet op vonnissen die onherroepelijk zijn geworden voor de door de betrokken lidstaat aangegeven datum. Hieruit volgt dat onderdeel (i), laatste zinsnede, van het in rov. 1.l genoemde oordeel van de penitentiaire kamer van 7 augustus 2014 onjuist was. De hierop gebaseerde afwijzing van de minister van het Franse verzoek om toepassing van het Kaderbesluit ten aanzien van [appellant] was dus ook onjuist.
The attached certificate, issued on April, 2nd, 2014 (…) is still valid and you can proceed with it’.
AANGETEKEND VERZONDEN
In your letter of 9 april 2014 you requested an enforcement of a sentence concerning ([appellant]
) and informed me that (…) the sentence could be transferred to the Netherlands according to the Framework Decision 2008/909/HJA.
Van Vemde’-arrest.
Van Vemde’-arrest, zoals de Staat eerder had aangevoerd (zie o.m. punt 2.10 MvA), maar een initiatief bleek te zijn geweest van met name de FIOD, die [appellant] was tegengekomen in een nieuw onderzoek met de naam ‘Rabbithole’, waarin [appellant] overigens, naar blijkt uit zijn productie 68, niet eens verdachte was. Door de tweede WETS-procedure in gang te zetten heeft de Staat zich dus schuldig gemaakt aan
détournement de pouvoir. De door [appellant] onder I. gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar met betrekking tot het onderdeel vóór ‘dan wel’, waarbij nog aangetekend wordt dat de Staat zich wat deze vordering betreft aan het oordeel van het hof heeft gerefereerd (punt 1.3 PA-S). Over het onderdeel na ‘dan wel’ hoeft nu niet meer te worden beslist.
conditio sine qua non-verband bestaat tussen zijn inspanningen om de FIOD te accommoderen en de detentie van [appellant] vanaf 19 juni 2019. In samenhang bezien met het zojuist onder 3.3 overwogene volgt hieruit dat de detentie die [appellant] naar aanleiding van de tweede WETS-procedure vanaf 19 juni 2019 heeft ondergaan, onrechtmatig was. Ook [appellant] vorderingen I.a en I.b – die de Staat is blijven betwisten – zijn dus toewijsbaar, de laatstgenoemde vordering in de vorm van een verwijzing naar de schadestaatprocedure, zoals ook is gevorderd, aangezien de mogelijkheid van schade aannemelijk is (de Staat betwist dat ook niet) en de schade niet aanstonds kan worden begroot. Verweren van de Staat ten aanzien van de hoogte van de schade, waaronder zijn in punt 2.6 PA-S gedane beroep op de artikelen 6:101 en 6:109 BW, kunnen in de schadestaatprocedure aan de orde komen.
algemene beginselen voor procedures’ alleen geldt voor de procedure zelf – geen soelaas bieden. Het hof zal daarom eerst ingaan op de onrechtmatige daad-grondslag van de ‘werkelijke proceskosten’-vordering.
Van Vemde’-arrest, terwijl hij in ieder geval behoorde te weten dat dit arrest niet de reden voor de aanhouding en insluiting van [appellant] was. De Staat heeft zijn verweer in deze procedure zowel in eerste aanleg als (tot de mondelinge behandeling) in hoger beroep dus tegen beter weten in gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende. Ook met inachtneming van de hierbij door de rechter (in verband met het recht om zich in rechte te verdedigen) te betrachten terughoudendheid, kan dit handelen van de Staat niet anders worden gekwalificeerd dan als onrechtmatig als bedoeld in rov. 5.3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 15 september 2017 in de zaak ‘
Vehmeijer/Janssens’ (ECLI:NL:HR:2017:2360). Dit betekent dat de Staat verplicht is de als gevolg van dat handelen door [appellant] geleden schade te vergoeden, waaronder de (redelijke) kosten die [appellant] heeft moeten maken voor het voeren van deze procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. De ‘werkelijke proceskosten’-vordering van [appellant] is dus eveneens toewijsbaar. Omdat de mogelijkheid van schade op dat punt aannemelijk is en deze kosten niet aanstonds kunnen worden begroot, zal ook hiervoor, overeenkomstig rov. 5.3.5 van het zojuist genoemde HR-arrest, een verwijzing naar de schadestaatprocedure worden uitgesproken, zoals door de Staat ook is voorgestaan (zie rov. 3.7
in fine). Niet valt in te zien welk belang [appellant] bij deze stand van zaken nog heeft bij een beoordeling van de ‘werkelijke proceskostenvordering’ op basis van artikel 21 Rv Pro. Die grondslag zal daarom onbesproken blijven.