ECLI:NL:GHDHA:2022:2228
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule in schuldsaneringsregeling na afwijzing rechtbank
Appellant heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van ruim €205.000. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
De rechtbank baseerde haar oordeel onder meer op een aanzienlijke vordering van de Belastingdienst en een betwiste vordering van een vennoot, waarbij appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was. Appellant werkte inmiddels fulltime met een bruto inkomen van €2.000 per maand, wat volgens de rechtbank niet in verhouding stond tot zijn ervaring.
In hoger beroep heeft appellant een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro. Het hof oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden, maar wel dat hij zijn financiële en persoonlijke situatie inmiddels voldoende onder controle heeft. Gezien zijn vaste arbeidsovereenkomst, salarisverhoging, bereidheid tot passend werk en het feit dat hij geen nieuwe schulden heeft gemaakt, acht het hof toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank, spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit en verwijst de zaak terug ter uitvoering van deze regeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en past de schuldsaneringsregeling toe op appellant.