ECLI:NL:GHDHA:2022:2278
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging onderbewindstelling wegens onvoldoende vermogenstoereikendheid betrokkene
Betrokkene is onder bewind gesteld omdat zij wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen. De onderbewindstelling werd op verzoek van haar oudste dochter uitgesproken door de kantonrechter. Betrokkene kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en voerde onder meer procedurele fouten aan, zoals het ontbreken van hoor en wederhoor en het onrechtmatig gebruik van neuropsychologisch onderzoek.
Het hof overwoog dat de dochter bevoegd was het verzoek in te dienen en dat eventuele procedurele tekortkomingen in eerste aanleg in hoger beroep konden worden hersteld. Betrokkene heeft in hoger beroep haar visie kunnen geven. Inhoudelijk achtte het hof het neuropsychologisch onderzoek, ondanks kritiek op de uitvoering en toestemming, bruikbaar. Uit de stukken en eigen waarneming bleek dat betrokkene onvoldoende inzicht heeft in haar financiële situatie en het beheer daarvan.
De onderbewindstelling werd ook voor de echtgenoot van betrokkene uitgesproken, met dezelfde bewindvoerder. Betrokkene gaf geen blijk van inzicht in de gevolgen voor het gemeenschappelijk vermogen. Het hof concludeerde dat de onderbewindstelling terecht is en dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar situatie zodanig is veranderd dat opheffing gerechtvaardigd is. De beschikking van de rechtbank werd daarom bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de onderbewindstelling en wijst het hoger beroep van betrokkene af.