ECLI:NL:GHDHA:2022:2343

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 november 2022
Publicatiedatum
23 november 2022
Zaaknummer
22-004531-18
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 SrArt. 47 SrArt. 420ter SrArt. 420quinquies SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gewoontewitwassen en misbruik PGB-gelden in zorginstelling

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf en een ontzetting van het recht tot het uitoefenen van het beroep van zorgverlener en zorgbemiddelaar voor 6 jaar en 3 maanden. In hoger beroep bevestigde het hof de feiten en het bewijs, maar paste de straf aan vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.

De verdachte maakte misbruik van gemeenschapsgeld bestemd voor zorgcliënten via een grootschalige fraude met PGB-gelden binnen een zorginstelling waar haar zoon directeur was. Door het voeren van een valse bedrijfsadministratie werd ruim € 500.000 onttrokken, waarvan ruim € 320.000 door de verdachte werd witgewassen. Dit vormde een aantasting van de legale economie en had schadelijke gevolgen voor de PGB-regeling en budgethouders.

Het hof achtte de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meewegend en stelde vast dat de behandeling in hoger beroep bijna twee jaar te laat was afgerond. Daarom werd de gevangenisstraf verlaagd naar 13 maanden. Daarnaast werd de ontzetting uit het beroep van zorgverlener en zorgbemiddelaar vastgesteld op 5 jaar, vanwege het risico op herhaling van financieel misbruik. Het vonnis werd verder bevestigd.

Bewijsmiddelen bestonden onder meer uit financiële administratie, loonheffingenonderzoek en WhatsApp-berichten tussen verdachte en medeverdachte. De strafrechtelijke artikelen 28, 47, 420ter en 420quinquies Sr waren van toepassing.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 13 maanden gevangenisstraf en 5 jaar ontzetting uit het beroep van zorgverlener en zorgbemiddelaar.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004531-18
Parketnummer: 10-997375-16
Datum uitspraak: 8 november 2022
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1971,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts is als bijkomende straf opgelegd de ontzetting van de verdachte uit het recht tot de uitoefening van het beroep van zorgverlener en zorgbemiddelaar voor de duur van 6 jaren en 3 maanden.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 28 september 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en vereniging met een ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
a. van één of meer geldbedrag(en) (in totaal een bedrag van (ongeveer) EUR 321.056,27) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt, en/of
b. (telkens) één of meer geldbedrag(en) (in totaal een bedrag van (ongeveer) EUR 321.056,27) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een of meerdere voorwerp(en), te weten vorengenoemde geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en),althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest en dat aan de verdachte tevens als bijkomende straf de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van zorgverlener en zorgbemiddelaar voor de duur van vijf jaren wordt opgelegd.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de opgelegde straffen. In dat opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige zal het hof het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden bevestigen.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Het hof vult de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met de volgende bewijsmiddelen:
- aan bewijsmiddel 4 wordt aansluitend op de laatste – onvolledige - zin die luidt “Middels onderzoek in de” de navolgende passage toegevoegd:
“financiële administratie is vastgesteld dat over de periode juli tot en met december 2014 vergoeding scholieren met een maandelijks bedrag van € 2.975,-- is geboekt. Van de namen die wel vermeld staan in de grootboekadministratie onder doorberekende lonen is nagegaan of deze op de loonheffingen 2014 voorkwamen. Het resultaat is negatief, deze namen kwamen niet voor op de
aangifte loonheffing.”
- als bewijsmiddelen worden toegevoegd:
8. Het geschrift met documentcode DOC-015-40, zijnde de weergave van een WhatsApp-gesprek tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] waarin wordt gesproken over werkgerelateerde zaken (pagina’s 1766 t/m 1768).
9. Het geschrift met documentcode DOC-015-01, zijnde een weergave van WhatsApp-berichten van de verdachte, doorgestuurd door medeverdachte [medeverdachte] naar boekhouder [boekhouder] (pagina’s 1666 t/m 1672).
10. Het geschrift met documentcode DOC-015-108, zijnde een weergave van WhatsApp-berichten van de verdachte aan medeverdachte [medeverdachte] waarin de verdachte aan de medeverdachte vraagt of hij [persoon] nog gebeld heeft (pagina 1941).
11. Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 6640-2014-995, documentcode AMB-023-01 (pagina’s 466 t/m 475).
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte was werkzaam bij of voor de zorginstelling [zorginstelling], waarvan haar zoon - en tevens medeverdachte - de directeur was. Binnen [zorginstelling] heeft jarenlang grootschalige fraude met PGB-gelden plaatsgevonden. Om te verhullen dat geen of te weinig uren zorg waren verleend aan de PGB-budgethouders is een valse bedrijfsadministratie gevoerd. Door het voeren van die valse bedrijfsadministratie kon ruim € 500.000,- worden onttrokken aan [zorginstelling]. Van dat bedrag is ruim
€ 320.000,- mede door de verdachte witgewassen. Gelet op de omvang en intensiviteit waarmee dit is gebeurd is sprake van gewoontewitwassen.
De verdachte heeft met haar handelen misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld bedoeld voor de zorg van de cliënten van [zorginstelling]. Zij heeft daarbij geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de regeling van het PGB in het algemeen en voor de betreffende budgethouders in het bijzonder, die met behulp van een PGB op een adequate manier in hun zorgbehoefte hadden moeten kunnen voorzien. Aldus zijn aanzienlijke geldbedragen ten onrechte bij de verdachte en de medeverdachte terechtgekomen.
Het witwassen van crimineel verkregen vermogen vormt bovendien een aantasting van de legale economie. Het hof rekent dit alles de verdachte zwaar aan.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 september 2022.
Redelijke termijn
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Het hof stelt echter vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Immers, de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is overschreden met bijna 2 jaren, nu namens de verdachte op 21 november 2018 hoger beroep is ingesteld en het hof op 8 november 2022 uitspraak doet. Gelet op deze overschrijding is het hof van oordeel dat, in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf, een lagere gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden passend en geboden is.
Daarnaast acht het hof het, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, aangewezen om de verdachte voor langere tijd te weren als zorgverlener en zorgbemiddelaar. Het hof vreest dat de verdachte – indien zij wederom als zorgverlener of zorgbemiddelaar optreedt – opnieuw haar eigen financiële gewin zal laten prevaleren boven het belang van cliënten. Het hof acht een beroepsverbod daarom eveneens passend. Het hof zal de verdachte ontzetten uit het recht tot uitoefening van het beroep van zorgverlener en zorgbemiddelaar voor de duur van 5 jaren.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 28, 47, 420ter en 420quinquies van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
13 (dertien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van zorgverlener en zorgbemiddelaarvoor de duur van
5 (vijf) jaren.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge,
mr. A.L. Frenkel en mr. F.P. Geelhoed, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 november 2022.
Mr. A.L. Frenkel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.