Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 18 januari 2022
Het verloop van het geding in hoger beroep
De vorderingen van partijen in hoger beroep
De feiten
De beslissing van de rechtbank
wijst af het meer of anders gevorderde.
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak in hoger beroep gaat het om de geldigheid van een volmacht die niet eindigt door het overlijden van de volmachtgever en de rechtsgevolgen van een daarop gebaseerde geldlening, hypotheekakte en cessie. Appellanten vorderen onder meer vernietiging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam en verklaren dat geïntimeerde geen rechten kan ontlenen aan de cessie en de akte van 27 februari 2004.
Het hof stelt vast dat de volmacht niet eindigt door het overlijden van de volmachtgever en dat de rechtshandelingen door geïntimeerde na het overlijden rechtsgeldig zijn verricht. De wet (art. 3:74 BW Pro) beschermt derden die te goeder trouw vertrouwen op de geldigheid van de volmacht. Appellanten konden niet met succes betogen dat zij niet gebonden zijn aan de rechtshandelingen, aangezien zij de verplichtingen vrijwillig zijn nagekomen.
Verder oordeelt het hof dat de cessie van de vordering in 2013 inclusief de executoriale titel is overgegaan, waardoor geïntimeerde gerechtigd is tot executie. De rechtbank had ten onrechte een deel van de vorderingen toegewezen; het hof vernietigt het vonnis en wijst alle vorderingen van appellanten af. Elke partij draagt de eigen proceskosten.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellanten integraal af.