In deze ontnemingszaak is de betrokkene veroordeeld voor meermalen gepleegde valsheid in geschrift en oplichting door fraude met PGB-gelden. De rechtbank Rotterdam had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €288.712,98 en dit bedrag aan de Staat toegewezen. Het hof heeft in hoger beroep dit bedrag herzien op basis van nader onderzoek en civiele uitspraken.
Het hof concludeert dat de betrokkene een bedrag van €415.996,58 aan PGB-gelden ontving, waarvan €127.283,60 werd doorbetaald aan derden. Het resterende bedrag van €288.712,98 werd grotendeels door de betrokkene gehouden. Na verrekening van civiele vorderingen en proceskosten komt het wederrechtelijk verkregen voordeel uit op €139.952,77.
Vanwege overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep vermindert het hof het te betalen bedrag met 10%, afgerond op €125.000. De gijzelingstermijn wordt op 0 dagen gesteld. Het arrest vernietigt het eerdere vonnis en doet opnieuw recht op deze basis.