De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, waarvan één voorwaardelijk, wegens het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. In hoger beroep bevestigde het hof de schuldvaststelling maar vernietigde het de strafoplegging vanwege onvoldoende motivering.
Het hof motiveerde de strafherziening door de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. Het negeren van verkeersveiligheidsmaatregelen en het niet naleven van voorwaarden uit eerdere vonnissen werden zwaar meegewogen.
Daarnaast gelastte het hof de tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, waaronder een geldboete en ontzegging van rijbevoegdheid, omdat de verdachte de proeftijdvoorwaarden had geschonden door opnieuw een strafbaar feit te plegen.
Het openbaar ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard in een reeds ten uitvoer gelegde strafvordering. Het arrest werd uitgesproken door het hof Den Haag op 24 januari 2022.