In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Den Haag bij arrest van 1 juni 2022 het vonnis van de politierechter in Rotterdam vernietigd. De betrokkene was in de onderliggende strafzaak veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen met gebruik van valse sleutels. De politierechter had de ontnemingsvordering afgewezen vanwege vrijspraak in de strafzaak, maar het Openbaar Ministerie stelde hiertegen hoger beroep in.
Het hof oordeelde dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel had verkregen uit de bewezenverklaarde diefstal. Het totaalbedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel bedroeg €15.005,00, verdeeld over betrokkene en haar mededader. Het aandeel van de betrokkene werd vastgesteld op €7.502,50, welk bedrag zij aan de Staat dient te betalen.
Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep maar verbond hieraan geen rechtsgevolg omdat compensatie reeds in de hoofdzaak was toegepast. De duur van de gijzeling die kan worden gevorderd werd gesteld op maximaal 150 dagen. Hiermee werd het vonnis van de politierechter vernietigd en de ontnemingsvordering alsnog toegewezen.