De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie die cocaïne invoerde vanuit Zuid-Amerika. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en de verdachte vrijgesproken.
Het hof stelde vast dat er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestond tussen fruitbedrijven en natuurlijke personen, gericht op het invoeren van cocaïne. De verdachte verrichtte werkzaamheden voor deze fruitbedrijven, zoals het plaatsen van bestellingen, het storten van contant geld en het opmaken van facturen die niet overeenkwamen met de werkelijkheid.
Ondanks deze gedragingen kon het hof niet wettig en overtuigend vaststellen dat de verdachte wist dat de organisatie het oogmerk had om cocaïne in te voeren. Er was geen aanvullend bewijs zoals tapgesprekken of het aantreffen van cocaïne bij de verdachte. Ook het latere onderzoek Dazzler, waarin de verdachte onherroepelijk werd veroordeeld, had betrekking op een andere periode.
Daarom sprak het hof de verdachte vrij van het tenlastegelegde. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door vrijspraak uit te spreken.