ECLI:NL:GHDHA:2022:366
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling na niet-nakoming verplichtingen ondanks verlenging
Appellante was sinds 2017 onder de schuldsaneringsregeling geplaatst, die in 2019 werd beëindigd. Het hof verlengde de regeling in 2020 met twee jaar vanwege bezwaar van appellante. In januari 2022 beëindigde de rechtbank de regeling opnieuw wegens niet-nakoming van verplichtingen, waaronder het maken van nieuwe schulden en het laten ontstaan van een boedelachterstand.
Appellante voerde aan dat de nieuwe schulden voortkwamen uit bestaande verplichtingen zoals energienota's en dat zij vanwege beschermingsbewind geen invloed had. Haar zoon maakte sinds november 2021 betalingen aan de boedelrekening, wat volgens haar voldoende was om de achterstanden in te lopen. Het hof oordeelde echter dat appellante onvoldoende had meegewerkt aan het afdragen van kostgeld en dat de achterstanden nauwelijks waren ingelopen.
Het hof benadrukte dat appellante en haar beschermingsbewindvoerder constructief hadden moeten samenwerken om de schulden af te lossen. Het plan van appellante om de betalingen van haar zoon volledig te gebruiken voor aflossing van nieuwe schulden werd niet gevolgd omdat deze gelden toekomen aan oude schuldeisers. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees voortzetting van de regeling af.
Tenslotte gaf het hof aan dat voortzetting van de regeling niet mogelijk is, maar dat appellante met haar zoon een akkoord met schuldeisers kan proberen te bereiken. De problematiek wordt mede veroorzaakt door de samenwoning van meerderjarige personen met verschillende inkomens en uitkeringen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden en boedelachterstand.