Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2022:366

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 februari 2022
Publicatiedatum
10 maart 2022
Zaaknummer
200.305.621/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 aanhef en onder c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling na niet-nakoming verplichtingen ondanks verlenging

Appellante was sinds 2017 onder de schuldsaneringsregeling geplaatst, die in 2019 werd beëindigd. Het hof verlengde de regeling in 2020 met twee jaar vanwege bezwaar van appellante. In januari 2022 beëindigde de rechtbank de regeling opnieuw wegens niet-nakoming van verplichtingen, waaronder het maken van nieuwe schulden en het laten ontstaan van een boedelachterstand.

Appellante voerde aan dat de nieuwe schulden voortkwamen uit bestaande verplichtingen zoals energienota's en dat zij vanwege beschermingsbewind geen invloed had. Haar zoon maakte sinds november 2021 betalingen aan de boedelrekening, wat volgens haar voldoende was om de achterstanden in te lopen. Het hof oordeelde echter dat appellante onvoldoende had meegewerkt aan het afdragen van kostgeld en dat de achterstanden nauwelijks waren ingelopen.

Het hof benadrukte dat appellante en haar beschermingsbewindvoerder constructief hadden moeten samenwerken om de schulden af te lossen. Het plan van appellante om de betalingen van haar zoon volledig te gebruiken voor aflossing van nieuwe schulden werd niet gevolgd omdat deze gelden toekomen aan oude schuldeisers. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees voortzetting van de regeling af.

Tenslotte gaf het hof aan dat voortzetting van de regeling niet mogelijk is, maar dat appellante met haar zoon een akkoord met schuldeisers kan proberen te bereiken. De problematiek wordt mede veroorzaakt door de samenwoning van meerderjarige personen met verschillende inkomens en uitkeringen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden en boedelachterstand.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.305.621/01
Insolventienummer rechtbank : C/10/17/747 R

arrest van 28 februari 2022

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. J. van der Stel te Schiedam.

Het geding

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2017 is ten aanzien van [appellante] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Deze schuldsaneringsregeling is op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd bij vonnis van deze rechtbank van 3 oktober 2019. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 28 januari 2020 heeft dit hof voornoemd vonnis vernietigd en de looptijd van de schuldsaneringsregeling verlengd met twee jaar, waarbij is bepaald dat [appellante] dient te blijven voldoen aan alle schuldsaneringsverplichtingen.
De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling op voordracht van de bewindvoerder en met instemming van de rechter-commissaris, beëindigd bij vonnis van 13 januari 2022 (hierna: het bestreden vonnis).
Tegen dat vonnis heeft [appellante] hoger beroep ingesteld bij beroepschrift ingekomen ter griffie van het hof op 21 januari 2022.
Het hof heeft naast het beroepschrift en het daarbij gevoegde bestreden vonnis, kennisgenomen van de volgende stukken:
- de processtukken van de eerste aanleg, ingediend door [appellante] op 14 februari 2022;
- de laatste stand van zaken van de bewindvoerder, N.T. van Deijssel, met daarbij de openbare verslagen, toegestuurd bij brief van 14 februari 2022;
- een e-mail van 15 februari 2022 van mr. Van der Stel met het verzoek om toe te staan dat [zoon] , de zoon van [appellante] , aanwezig zal zijn bij de mondelinge behandeling.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 februari 2022, waarbij zijn verschenen:
- [appellante] in persoon, vergezeld van [zoon] , haar zoon en bijgestaan door haar advocaat;
- N. Yerlikaya, beschermingsbewindvoerder van [appellante] ;
- Van Deijssel, voornoemde bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellante] beëindigd op grond van het oordeel dat zij een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt (artikel 350 lid 3 aanhef Pro en onder c Fw). De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat [appellante] voor een bedrag van in totaal € 3.3650,15 aan nieuwe schulden heeft gemaakt en een boedelachterstand van € 3.551,85 heeft laten ontstaan. De beschermingsbewindvoerder heeft bij de rechtbank verklaard dat het budget van [appellante] instabiel is waardoor er geen ruimte is om de schulden af te lossen of de boedelachterstand in te lopen en dat er geen structurele afspraken met [appellante] en haar inwonende zoons konden worden gemaakt met betrekking tot de afdracht van het kostgeld.
De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de geconstateerde tekortkomingen [appellante] niet toe te rekenen zijn, aangezien zij voldoende op de tekortkomingen is gewezen en voor de gevolgen daarvan is gewaarschuwd.
2. De grieven en argumenten van [appellante] komen er in de kern op neer dat zij niet verwijtbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. De nieuwe schulden vloeien voort uit bestaande rechtsverhoudingen, zoals jaarafrekeningen voor energiekosten en naheffingen, en zij heeft daarop – mede vanwege het beschermingsbewind – geen invloed gehad. Voor zover wel sprake zou zijn van toerekenbare tekortkomingen, is [appellante] van mening dat die niet tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling zouden dienen te leiden. [appellante] is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting en kan niet méér inkomsten genereren dan zij thans ontvangt. Blijkens de e-mail van mr. Van der Stel heeft haar jongste zoon sinds november 2021 in totaal € 1.946,- naar de boedelrekening van [appellante] overgemaakt en zal hij wekelijks een bedrag van € 225,- naar die rekening blijven overmaken tot het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling. Daardoor zal aan het einde van de schuldsaneringsregeling een bedrag van ongeveer € 8.100,- betaald zijn, hetgeen ruimschoots voldoende is voor de aflossing van de nieuwe schulden en het inlopen van de boedelachterstand.
[appellante] verzoekt het hof de schuldsaneringsregeling te laten voortduren tot de einddatum, zijnde 18 september 2022.
3. De beschermingsbewindvoerder en de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling hebben ter zitting hun standpunten naar voren gebracht.
4. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [appellante] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Daartoe wordt overwogen dat [appellante] een aanzienlijke boedelachterstand en nieuwe schulden heeft laten ontstaan, die na het arrest van het hof van 28 januari 2020 niet of nauwelijks zijn ingelopen. [appellante] is vele malen door de bewindvoerder, de rechter-commissaris en de rechtbank op de tekortkomingen en de gevolgen daarvan gewezen. Zij moet met name na voornoemd arrest ervan op de hoogte zijn geweest dat zij, om haar laatste kans op een schone lei te benutten, op een constructieve manier samen met haar beschermingsbewindvoerder werk moest maken van in het bijzonder het overmaken van het kostgeld van haar beide zonen aan die bewindvoerder. Het hof begrijpt dat geen, dan wel onvoldoende gehoor is gegeven aan de verzoeken/aanwijzingen van de beschermingsbewindvoerder omtrent het overmaken van het kostgeld. Dat kostgeld is evenmin afgedragen aan de boedel, waardoor er een boedelachterstand ontstaan. De jongste zoon van [appellante] probeert zijn moeder inmiddels te helpen en maakt sinds november 2021 (aanzienlijke) bedragen over naar de beheerrekening van de beschermingsbewindvoerder, hetgeen valt te prijzen.
Het hof kan [appellante] echter niet volgen in haar plan/voornemen om die (door haar zoon) betaalde bedragen volledig aan te wenden voor aflossing van de nieuwe schulden en de boedelachterstand. Die bedragen vloeien namelijk in de boedel en vallen, nadat het salaris van de bewindvoerder daarop in mindering is gebracht, toe aan de ‘oude’ schuldeisers. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat het niet gaat om een gering bedrag dat de (oude) schuldeisers op deze manier zouden mislopen.
Voor voortzetting van de schuldsaneringsregeling bestaat gelet op het voorgaande, onvoldoende aanleiding.
5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. Hetgeen meer of anders is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden en behoeft geen nadere bespreking.
Het hof wil [appellante] nog wel meegeven dat het eindigen van de schuldsanering er niet aan in de weg staat dat zij met behulp van haar jongste zoon een akkoord aanbiedt aan de schuldeisers. De problemen met betrekking tot het onvoldoende inkomen voor de vaste lasten worden naar het inzicht van het hof veroorzaakt doordat er twee personen met een Participatiewet-uitkering en één persoon met een inkomen uit arbeid bij elkaar wonen. De Participatiewet en regelingen, zoals de huurtoeslag, gaan uit van één huishouden met één inkomen, hoewel het om drie meerderjarigen gaat. Problemen in de toekomst zijn alleen te voorkomen als de twee Participatiewet-gerechtigden het hele inkomen (laten) overmaken naar de beschermingsbewindvoerder en de jongste zoon het kostgeld naar haar overmaakt. Idealiter worden ook alle toeslagen naar de beschermingsbewindvoerder overgemaakt, die met dat geld alle vaste lasten voldoet (waaronder ook de zorgverzekeringen). Het wekelijkse bedrag aan leefgeld dat daarna overblijft zal lager zijn dan thans het geval is, maar de dreiging van ontruiming van de woning of bestuurlijke premieheffing door het CAK zijn dan wel weggenomen.

De beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2022.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, M.C.M. van Dijk en E.C. Harting, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2022, in aanwezigheid van de griffier.