ECLI:NL:GHDHA:2022:398

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2022
Publicatiedatum
15 maart 2022
Zaaknummer
200.303.579/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1.1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens zorg- en opvoedingsbelang

De minderjarige is nog vóór haar geboorte onder toezicht gesteld en er is een machtiging verleend voor uithuisplaatsing. De moeder verzocht na de geboorte om vrijwillige plaatsing in een moeder-kindhuis, maar er was geen geschikte plek beschikbaar en zij toonde onvoldoende intrinsieke motivatie om haar problematiek aan te pakken.

De kinderrechter verleende daarom een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De moeder ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat de maatregel prematuur was. Het hof oordeelt dat de noodzaak tot uithuisplaatsing ten tijde van de beschikking aanwezig was en nog steeds is, mede vanwege de problematiek van de moeder en het ontbreken van een geschikte moeder-kindhuisplek.

Hoewel de moeder positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt en inmiddels gemotiveerd is, acht het hof het belang van de minderjarige bij een stabiele verzorging en opvoeding zwaarder. Totdat een geschikte plek in een moeder-kindhuis beschikbaar is, blijft de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de beschikking bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de moeder af en bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.303.579/01
rekestnummer rechtbank : JE RK-21-2825 en JE RK 21-2841
zaaknummer rechtbank : C/10/627673 en C/10/627732
beschikking van de meervoudige kamer van 16 februari 2022
inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
tegen
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht
gevestigd te Eindhoven,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
- de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling).

1.De zaak en de beschikking in het kort

1.1
Het gaat in deze zaak over de uithuisplaatsing van de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ). De kinderrechter heeft nog vóór haar geboorte, op 5 november 2021, [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar en een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van zes maanden, dus tot 5 mei 2022. De moeder is het niet eens met het verlenen van deze machtiging tot uithuisplaatsing en komt hiertegen in hoger beroep.
1.2
Het hof wijst in deze beschikking het hoger beroep van de moeder af. Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in november 2021 aanwezig was en nu nog steeds is. Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe. Daarna zal het hof zijn beslissing motiveren.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift van de moeder van 9 december 2021;
- het verweerschrift van de raad van 7 januari 2022.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 21 januari 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. V. de Roo, een kantoorgenoot van haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van dezelfde feiten als die de kinderrechter in de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
De moeder is ouder van de, nu nog minderjarige:
- [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij beschikking van 5 november 2021, uitgesproken onder voornoemd zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking) heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam [minderjarige] , nog vóór haar geboorte, onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling met ingang van 5 november 2021 tot 5 november 2022. De kinderrechter heeft voor diezelfde duur een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De bestreden beschikking is nadien, op 18 november 2022, hersteld in die zin dat de duur van de periode waarvoor de machtiging is verleend, overeenkomstig het verzoek van de raad, is beperkt tot zes maanden, derhalve tot 5 mei 2022.
4.2
De moeder is het, naar het hof begrijpt, niet eens met deze beslissing voor zover die ziet op het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, (naar het hof begrijpt:) het verzoek van de raad om een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg alsnog geheel af te wijzen.
4.3
Het verweer van de raad strekt tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5.De motivering van de beslissing

Juridisch kader
5.1
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Overwegingen hof
5.2
Het hof overweegt als volgt. Ten tijde van het inleidend verzoek van de raad was de moeder (hoog)zwanger van [minderjarige] . Aanleiding voor het indienen van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing waren de zorgen die de raad destijds had over (het geweld binnen) de relatie tussen de moeder en de vader van [minderjarige] alsmede het gebruik van verdovende middelen door de moeder. Gebleken is dat er bij de moeder sprake is van persoonlijke problematiek en van een langdurige verslavingsproblematiek. Ten tijde van het inleidend verzoek was duidelijk dat de moeder niet zelfstandig met [minderjarige] thuis kon verblijven. De moeder wilde de kans krijgen om te laten zien dat zij na de geboorte van [minderjarige] wel in staat zou zijn om de zorg voor haar te dragen. De moeder verzocht daarom om een vrijwillige plaatsing in een moeder-kindhuis. Een dergelijke plaatsing bleek echter niet mogelijk omdat er op dat moment geen geschikte plek voor de moeder en [minderjarige] beschikbaar was. Daarnaast, zo blijkt uit het raadsrapport en uit hetgeen de gecertificeerde instelling ter zitting naar voren heeft gebracht, schortte het aan intrinsieke motivatie bij de moeder om met haar problematiek aan de slag te gaan. Ter zitting bij het hof heeft de moeder bovendien bevestigd dat zij op dat moment nog steeds verdovende middelen gebruikte. Omdat thuis verblijven geen optie was en er geen mogelijkheid bestond om [minderjarige] samen met de moeder (op vrijwillige basis) te plaatsen in een moeder-kindhuis, resteerde er geen andere mogelijkheid dan plaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin. Hiermee is, naar het oordeel van het hof, de noodzaak tot het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking gegeven. Van het prematuur uitspreken van deze maatregel door de kinderrechter, zoals de moeder aanvoert, is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.
De moeder heeft na de uithuisplaatsing van [minderjarige] positieve ontwikkelingen doorgemaakt. De moeder is sinds korte tijd volledig vrij van middelengebruik en zij volgt therapieën bij Brijder om haar verslaving onder controle te houden. De moeder ontvangt daarnaast nog ondersteuning vanuit ASVZ en ook zijn, in het kader van de hulpverlening, Antes en Impegno GGZ betrokken. Ook is gebleken dat de moeder inmiddels wel gemotiveerd is om de nodige stappen te maken. Ter zitting bij het hof heeft de moeder aangegeven dat zij, vanwege de gebeurtenissen in het verleden, een verblijf met [minderjarige] bij haar thuis ook op dit moment nog geen goed idee vindt. De gecertificeerde instelling is daarom bij diverse instanties op zoek naar mogelijkheden om [minderjarige] en de moeder te plaatsen in een moeder-kindhuis. Op dit moment is voor hen echter nog steeds niet een dergelijke geschikte plek voorhanden. Tot het moment dat er wel een geschikte plek gevonden wordt, acht het hof daarom, in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , een machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.
5.3
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A.F. Donders, A.C. Olland en A.J. van Montfoort, bijgestaan door mr. A.M. Sipkes-Kerkman als griffier, en is op 16 februari 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.