De verdachte werd in hoger beroep vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, verkrachting van een 15-jarig meisje, wegens onvoldoende bewijs. Het hof achtte echter wettig en overtuigend bewezen dat hij ontuchtige handelingen met het meisje heeft gepleegd, waaronder seksueel binnendringen, buiten echt en in Spanje.
De feiten speelden zich af tijdens een vakantie waarbij de verdachte, onder invloed van alcohol, handelde terwijl hem was opgedragen op het meisje te letten. Het slachtoffer was weerloos door moeheid en drankgebruik. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, het vertrouwen dat de verdachte schond, en de psychische impact op het slachtoffer.
De verdachte kreeg een taakstraf van 180 uur opgelegd, met aftrek van voorarrest, lager dan de eerdere straf van de rechtbank en de eis van de advocaat-generaal. Daarnaast werd een schadevergoeding van €2.702,58 toegewezen, bestaande uit materiële en immateriële schade, te betalen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.
De vordering tot verdere schadevergoeding werd deels niet-ontvankelijk verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend. De verdachte werd veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij tot aan deze uitspraak, begroot op nihil.
Het arrest werd uitgesproken door het hof Den Haag op 12 april 2022, waarbij het vonnis van de rechtbank Rotterdam werd vernietigd en opnieuw recht werd gedaan.