ECLI:NL:GHDHA:2022:661

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 mei 2022
Publicatiedatum
20 april 2022
Zaaknummer
200.294.413/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 347 lid 1 RvArt. 3.3 SORArt. 3.4 SORArt. 3.6 SORArt. 4.2 SOR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontruimingsvonnis huurwoning wegens overlast

In deze zaak stond de ontruiming van een huurwoning centraal wegens overlast veroorzaakt door appellant. De Stichting Woondiensten Aarwoude vorderde ontruiming en betaling van huurtermijnen. De kantonrechter wees de vordering toe en veroordeelde appellant in de kosten.

Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de kantonrechter niet had moeten beslissen zoals in eerste aanleg gevorderd, namelijk afwijzing van de vordering. Het hof heeft de zaak beoordeeld aan de hand van de stukken uit eerste aanleg en de grief van appellant.

Na zorgvuldige overweging is het hof het eens met het oordeel van de kantonrechter en bekrachtigt het vonnis. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, die beperkt zijn tot griffierecht en een punt van het liquidatietarief.

De procedure kende een Second Opinion-procedure waarbij partijen instemden met de conclusies van de raadsheer-commissaris. Het hof vond geen aanleiding tot nadere motivering van het arrest.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis tot ontruiming en veroordeelt appellant in de kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.294.413/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 9055189 CV EXPL 21-806

arrest van 3 mei 2022

inzake

[appellant],

zonder vaste woon- of verblijfplaats, in eerste aanleg wonende in [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. A. Schippers te Den Haag,
tegen

de Stichting Woondiensten Aarwoude,

gevestigd te Woubrugge, gemeente Kaag en Braassem,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Aarwoude,
advocaat: mr. L.W.B. Dijkstra-Devillers te Alphen aan den Rijn.

Het geding

1. Voor het verloop van het geding tot 8 juni 2021 verwijst het hof naar het tussenarrest van die datum. Bij dat arrest is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast op 12 oktober 2021. Die is uitgesteld in verband met ziekte van de toenmalige advocaat van [appellant] en vervolgens gehouden op 24 maart 2022. Van die mondelinge behandeling is op verzoek van partijen een proces-verbaal opgemaakt waarin de raadsheer-commissaris een voorlopig oordeel heeft neergelegd. Partijen hebben op de rolzitting van 12 april 2022 verzocht om toelating tot de Second Opinion-procedure. De behandelend advocaten hebben beiden een SO-formulier als bedoeld in het Second Opinion Reglement (SOR) ingevuld en ondertekend. Voornoemd verzoek tot toelating tot de Second Opinion-procedure is toegestaan, waarna arrest is bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure

2. Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv Pro te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). De enige grief van [appellant] bestaat eruit dat de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda, niet heeft beslist overeenkomstig hij in eerste aanleg had gevorderd, te weten afwijzing van de vordering van Aarwoude. Die vordering van Aarwoude strekte er primair toe dat de door [appellant] gehuurde woning door hem zou worden ontruimd, en tot betaling van de huurtermijnen voor de periode dat [appellant] de gehuurde woning in gebruik zou houden. Die vordering van Aarwoude is door de kantonrechter toegewezen en [appellant] is veroordeeld in de kosten van het geding.
3. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof de zaak beoordeelt in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop het bestreden vonnis werd gevraagd (artikel 3.6 SOR). De zaak in hoger beroep wordt dus beoordeeld aan de hand van de stukken in eerste aanleg met inachtneming van de grief.
4. Het hof heeft kennis genomen van de stukken van de procedure bij de kantonrechter. Het hof is het eens met het oordeel van de kantonrechter. Daarom zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.
5. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door Aarwoude betaalde griffierecht van € 772,- en één punt van het toepasselijke liquidatietarief, te weten € 1.114,-.

Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda, van 15 april 2021;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Aarwoude begroot op € 772,- aan griffierecht en € 1.114,- aan salaris van de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, D. Aarts en J. van de Klashorst en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 mei 2022 in aanwezigheid van de griffier.