Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 1 februari 2022
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde tevens appellante in incidenteel appel,
hierna te noemen: de vrouw,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
woning wordt toegedeeld aan de man, de man de notariële kosten van levering voldoet
en de man – bij gelegenheid van de levering van de aan de vrouw in eigendom
toebehorende onverdeelde helft van de woning aan de man – aan de vrouw een bedrag
betaalt van € 62.250,-, alsook aan de vrouw betaalt een bedrag ten aanzien van de
rentepolis bij Legal & General van € 13.140,47 plus de waardestijging van de
rentepolis over de periode vanaf 1 oktober 2014, waarbij de vrouw haar medewerking
dient te verlenen aan het wijzigen van de tenaamstelling van de rentepolis zodat deze
uitsluitend op naam van de man komt te staan;
grief 1voert de man aan dat de rechtbank in r.o. 4.8 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat tussen partijen geen afspraak tot stand is gekomen op grond waarvan de man de woning mocht overnemen van de vrouw. In de kern houdt het betoog van de man in dat het de bedoeling van partijen was en dat zij ook hebben afgesproken dat de man de woning toegedeeld zou krijgen. De man stelt verder dat hij zich heeft ingespannen om de financiering voor de overname van de woning rond te krijgen, maar dat zulks door toedoen van de vrouw niet tijdig is gelukt. Op grond van deze afspraak tussen partijen wenst de man de woning alsnog toegedeeld te krijgen.
grief 2komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.9 en 4.10 van het bestreden vonnis dat allereerst aan de vrouw de gelegenheid moet worden geboden om de woning over te nemen, omdat de vrouw in tegenstelling tot de man met stukken voldoende onderbouwd heeft dat het overnemen van de woning in financieel opzicht voor haar een reële optie is. Volgens de man had hij de eerste mogelijkheid tot het overnemen van de woning moeten krijgen, omdat hij voldoende stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat hij financieel in staat is om de woning over te nemen.
grief 3van de man aldus dat hij vordert, dat wanneer de woning aan hem wordt toebedeeld, de rentepolis bij Legal & General met nummer [nummer 1] aan de vrouw wordt toebedeeld en hij gerechtigd is tot de helft van de waarde van deze rentepolis. Daarmee verzet de man zich tegen de koppeling van de rentepolis aan de woning en de hypotheek, zoals de rechtbank in r.o. 4.14 van het bestreden vonnis heeft gedaan. Gelet op deze koppeling heeft de rechtbank deze rentepolis – net als de woning – aan de vrouw toegedeeld. Nu de voorwaarde die de man aan deze grief verbindt, te weten dat de woning aan hem wordt toegedeeld, niet in vervulling is gegaan, heeft de man geen belang bij deze grief.
grief 4keert de man zich tegen r.o. 4.20 en 4.21 van het bestreden vonnis waarin de rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen vast staat dat op de peildatum de in r.o. 4.20 opgesomde gezamenlijke schulden van € 38.349,53 aanwezig waren en dat de vrouw deze schulden na de peildatum vanuit haar eigen vermogen heeft voldaan, zodat de vrouw de helft van dit bedrag nog van de man te vorderen heeft. In zijn grief betwist de man het bestaan van deze schulden. Volgens de man heeft de vrouw het bestaan van deze schulden niet aangetoond. Voorts betoogt de man dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij deze schulden na de peildatum heeft voldaan. Dit betoog van de man faalt. Het hof verwijst hiervoor naar de conclusie van antwoord in conventie, nr. 11, onder d, waar de man het bestaan en de omvang van deze schulden uitdrukkelijk erkent (‘totaal schulden € 38.349,53, door de man als juist en volledig bevonden’). Verder verwijst het hof naar de conclusie van antwoord in conventie, nr. 69, waar de man duidelijk maakt dat hij ‘het eens [is] met de door de vrouw voorgestelde wijze van berekening en de door haar gehanteerde bedragen’. Naar het oordeel van het hof leveren deze stellingen van de man een gerechtelijke erkentenis op in de zin van artikel 154, eerste lid, Rv. Een gerechtelijke erkentenis kan volgens artikel 154, tweede lid, Rv slechts worden herroepen indien aannemelijk is dat zij door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Nu deze gronden voor herroeping door de man niet zijn gesteld en het hof ook anderszins niet zijn gebleken, dient de man te worden gehouden aan zijn gerechtelijke erkentenis omtrent het bestaan en de omvang van deze schulden. Voor zover de man stelt dat de genoemde schulden op de peildatum reeds waren voldaan, is deze stelling in tegenspraak met de erkenning door de man van de omvang van de schulden per peildatum. Verder geldt dat de vrouw in eerste aanleg gemotiveerd heeft gesteld dat zij alle schulden heeft voldaan. Naar het oordeel van het hof heeft de man deze stelling niet gemotiveerd betwist.