Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 19 april 2022
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde tevens appellant in incidenteel appel,
hierna te noemen: de man,
Gerechtshof Den Haag
Partijen waren geregistreerd partners in gemeenschap van goederen. De rechtbank Rotterdam sprak op 12 april 2019 de ontbinding uit en bepaalde de verdeling van de partnerschapsgemeenschap, inclusief de woning. De vrouw bleef in de woning wonen, de man vertrok elders.
De vrouw vorderde in hoger beroep toedeling van de woning aan haar, met financieringstermijnen en een taxatie door een onafhankelijke makelaar. De rechtbank stelde een stappenplan op voor verkoop indien toedeling niet haalbaar was. De man trok zijn verzoek om vervangende toestemming voor verkoop in.
Het hof oordeelde dat de verdelingsbeslissing van 12 april 2019 leidend is, tenzij de man het proces willens en wetens zou hebben belemmerd, wat niet is gebleken. De vrouw slaagde er niet in tijdig de woning over te nemen. De woning moet daarom worden verkocht volgens het stappenplan. De gebruiksvergoeding en eigenaarslasten worden tegen elkaar weggestreept. De proceskosten worden gecompenseerd en ieder draagt eigen kosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en bepaalt dat de woning verkocht moet worden volgens het stappenplan van de verdelingsbeslissing van 12 april 2019.