In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag is verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank had verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, maar het hof vernietigde dit vonnis.
Het hof oordeelde dat slechts wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte de telefoon en het identiteitsbewijs van de aangeefster had afgepakt en enige tijd onder zich hield. Er was echter onvoldoende bewijs dat verdachte haar daadwerkelijk van haar vrijheid had beroofd, aangezien de aangeefster niet feitelijk werd belemmerd haar verblijfplaats te verlaten.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat de tenlastelegging niet bewezen was. Daarnaast werden beslissingen genomen over beslag op voorwerpen die toebehoren aan verdachte en onttrekking aan het verkeer.
Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep voor de vrijspraken uit eerste aanleg en veroordeelde hem niet. Het arrest werd uitgesproken op 25 mei 2022 door het gerechtshof Den Haag.