Belanghebbende verzocht de heffingsambtenaar om een medebelanghebbendebeschikking voor het jaar 2019 op grond van artikel 28, lid 1, Wet WOZ. Na uitblijven van reactie stelde belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke. De heffingsambtenaar wees het verzoek af omdat er nog geen reguliere beschikking was genomen. Belanghebbende maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De Rechtbank oordeelde echter dat de weigering onterecht was en kende proceskostenvergoeding toe.
De heffingsambtenaar ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het Hof overwoog dat de Wet WOZ niet verplicht tot het geven van een medebelanghebbendebeschikking indien belanghebbende reeds een reguliere beschikking heeft ontvangen. Het feit dat de reguliere beschikking later dan de wettelijke termijn werd gegeven, maakt dit niet anders. De medebelanghebbendebeschikking kan immers niet in de plaats treden van een niet-bestaande beschikking.
Het Hof vernietigde het vonnis van de Rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende heeft daardoor geen recht op proceskostenvergoeding. De uitspraak werd op 10 mei 2022 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag.