Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant sub 1] , handelend in privé en in zijn hoedanigheid
[appellant sub b],
1.[geïntimeerde sub 1] , handelend in privé en in haar hoedanigheid
de vennootschap onder firma [vof],
€ 120.114,01 en [geïntimeerde sub 1] een negatief kapitaal van € 118.923,09. Voorts is in de balans een lening van € 239.799,- vermeld van [vof] aan [appellant sub 1] . De lening van [vof] aan [appellant sub 1] was ook vermeld in de jaarstukken 2018 van [vof] . Het vennootschappelijk vermogen is een afgescheiden vermogen. Na ontbinding van de vennootschap onder firma zijn de bepalingen van boek 3 titel 7 BW van toepassing. Uit de balans van [vof] per 31 december 2019 volgt dat een bedrag van € 287,72 aan liquide middelen is en een schuld aan [appellant sub 1] van € 239.799,- bestaat. Materieel is [vof] failliet. Nu de onderneming in [vof] is gestaakt, dienen de vennoten op basis van artikel 13 van Pro de overeenkomst van vennootschap onder firma over te gaan tot vereffening.
€ 170.484,18 van [appellant sub b] aan [vof] . In de balans is slechts vermeld een lening van de VOF aan [appellant sub 1] van € 239.799,-. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant sub b] - mede bezien haar eigen stellingen - niet aangetoond dat zij aan [vof] een lening heeft verstrekt van
- € 1.756,- griffierecht;
- € 4.064,- kosten advocaat;