Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen een veroordeling voor opruiing en aanzetten tot gewelddadig optreden tegen vrouwen vanwege een webcollege waarin vrouwenbesnijdenis werd aanbevolen.
De verdachte las in het webcollege een passage voor waarin vrouwenbesnijdenis werd aanbevolen, maar sprak zich er niet expliciet voor uit. De verdediging voerde aan dat er geen opzet was om toehoorders tot strafbare feiten aan te zetten en dat de uiting in context moest worden beoordeeld.
Een deskundige verklaarde dat in de islamitische onderwijscontext het niet noodzakelijk is expliciet afstand te nemen van dergelijke aanbevelingen en dat toehoorders begrijpen dat het niet de eigen opvatting van de docent betreft.
Het hof oordeelde dat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, om aan te zetten tot vrouwenbesnijdenis of gewelddadig optreden. De vrijheid van meningsuiting werd in dit kader niet verder besproken.
Daarom vernietigde het hof het eerdere vonnis en sprak de verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten.