Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag inzake de ontnemingszaak tegen verdachte, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van drugshandel. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €38.324,86 en de betaling daarvan aan de Staat opgelegd.
In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis om proceseconomische redenen en deed opnieuw recht. Het hof baseerde de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een eenvoudige kasopstelling, waarbij contante opnamen als legale inkomsten werden beschouwd en contante stortingen als uitgaven. Het beginsaldo, legale ontvangsten, eindsaldo en werkelijke uitgaven werden zorgvuldig in kaart gebracht, resulterend in het genoemde bedrag.
Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het hoger beroep, zowel in de inzendtermijn als in de duur van de procedure. Deze overschrijding werd echter gecompenseerd door de matiging van de straf in de hoofdzaak, zodat geen verdere sancties werden verbonden aan deze termijnoverschrijding.
Uiteindelijk legde het hof de betalingsverplichting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €38.324,86 aan de verdachte op, bevestigde het bewezenverklaarde en strafbare feit en sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen.