Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest in de hoofdzaak en in het incident van 4 juli 2023
Het geding
- de appeldagvaarding van 24 augustus 2022, met herstelexploot van 5 september 2022, waarin de man hoger beroep instelt tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2022, hierna: het bestreden vonnis;
- de processtukken uit de eerste aanleg;
- de memorie van grieven met producties van de man, ingediend op 25 oktober 2022;
- de memorie van antwoord met een productie van de bewindvoerder, ingediend op 20 december 2022;
- de akte uitlating op de memorie van antwoord door de man met producties, ingediend op 31 januari 2023;
- de antwoordakte, tevens opwerping incident van de bewindvoerder met een productie, ingediend op 14 februari 2023;
- de antwoordconclusie op het incident van de man, ingediend op 28 februari 2023.
Korte weergave van de zaak
Het bestreden vonnis
- 5.1 Vernietigt de schikkingsovereenkomst van 31 maart 2019 tussen de vrouw en de man wegens misbruik van omstandigheden door de man;
- 5.2 Machtigt de bewindvoerder om een verkoopmakelaar naar eigen keuze van de bewindvoerder in te schakelen in Den Haag of omstreken om namens de vrouw en mede namens de man de gemeenschappelijke woning aan [adresgegevens] te koop aan te bieden aan de hoogst biedende koper;
- 5.3 Veroordeelt de man om mee te werken aan de verkoop van die hiervoor bij 5.2 bedoelde woning door die hiervoor bij 5.2 bedoelde verkoopmakelaar, zulks op de wijze zoals die overigens (met uitzondering dus van beslissing 4.4 van het hof Amsterdam over verkoopmakelaar [verkoopmakelaar] , maar wel met inbegrip van vooral de beslissingen 4.5, 4.6 en 4.7 van het hof Amsterdam) zoals in het arrest van 7 september 2021 na cassatie en verwijzing is beslist.
- Veroordeelt de man in de proceskosten van de bewindvoerder in conventie en in reconventie, in totaal door de rechtbank begroot op € 2.656,89;
- Verklaart dit vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
- Wijst af het meer of anders gevorderde.
Het hof:
De vorderingen van de man en de conclusie van de bewindvoerder in de hoofdzaak
- de schikkingsovereenkomst door partijen ondertekend op 31 maart 2019 rechtsgeldig tot stand is gekomen en door de bewindvoerder als zodanig dient te worden gerespecteerd;
- de bewindvoerder onverwijld medewerking verleent aan de uitvoering van de tussen de man en de vrouw overeengekomen schikking over de boedelverdeling;
- de veroordeling van de man tot betaling van de proceskosten van de bewindvoerder zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende te bepalen dat elk van partijen diens eigen kosten draagt;
- ingeval de beslissing tot vernietiging van de schikkingsovereenkomst door het hof wordt vernietigd, dat de bewindvoerder zal worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de man;
- de opdracht tot dienstverlening door de vrouw aan de advocaat van de bewindvoerder d.d. 4 februari 2020 en de door de advocaat van de bewindvoerder in de ik-vorm opgestelde verklaring van 4 juni 2020 welke de advocaat de onder bewind staande vrouw heeft laten ondertekenen, moeten worden vernietigd;
- geïntimeerde in de kosten van beide instanties zal veroordelen;
- de vorderingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.