In deze civiele procedure is appellant in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 30 september 2022. Na een mondelinge behandeling en een verzoek tot toelating tot de Second Opinion-procedure, is het hoger beroep inhoudelijk beoordeeld op basis van de stukken en stellingen uit eerste aanleg.
Het hof heeft de overwegingen van de kantonrechter overgenomen en geconcludeerd dat het hoger beroep niet slaagt. De grief van appellant dat de kantonrechter niet overeenkomstig de vorderingen in eerste aanleg heeft beslist, wordt verworpen.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat. Het arrest is op 15 augustus 2023 uitgesproken door het hof Den Haag.