ECLI:NL:GHDHA:2023:1718

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2023
Publicatiedatum
5 september 2023
Zaaknummer
2200306718
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 420ter SrArt. 420quater Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte in hoger beroep witwaszaak wegens onvoldoende bewijs

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het plegen van witwassen van een geldbedrag van circa €32.650 in de periode van januari 2013 tot april 2015. In eerste aanleg werd verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en veroordeeld tot een taakstraf voor het subsidiair tenlastegelegde. Zowel verdachte als officier van justitie gingen in hoger beroep, waarbij het hoger beroep van de officier van justitie werd ingetrokken.

Het hof heeft het bewijs onderzocht en geoordeeld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het bedrag van €20.000, bestaande uit 1000 briefjes van €20, heeft ontvangen van een medeverdachte. Ook kon niet worden uitgesloten dat een bedrag van €6.500 in de woning van verdachte een legale herkomst had. Voor de overige bedragen die verdachte wel van de medeverdachte heeft ontvangen, kon niet worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze uit een misdrijf afkomstig waren.

Daarom sprak het hof verdachte vrij van het tenlastegelegde witwassen. Tevens werd gelast dat de inbeslaggenomen voorwerpen, behalve het verbeurd verklaarde bedrag van €7.000, aan verdachte worden teruggegeven. Het arrest werd uitgesproken door het hof op 16 juni 2023.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van witwassen wegens onvoldoende bewijs en krijgt de meeste inbeslaggenomen goederen terug.

Uitspraak

PROMIS
Rolnummer: 22-003067-18
Parketnummer: 10-750020-15
Datum uitspraak: 16 juni 2023
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats](Spanje) op [dag] 1970,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde – rekening houdend met het ondergane voorarrest -veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 94 uren, subsidiair 47 dagen hechtenis. Daarnaast zijn beslissingen gegeven omtrent het inbeslaggenomene, zoals in het vonnis nader omschreven.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep is door de advocaat-generaal ingetrokken.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 17 april 2015 te Rotterdam en/of Barendrecht, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft zij, verdachte en/of (één of meer van) haar mededader(s), een geldbedrag van in totaal 32.650 EURO althans enig(e) geldbedrag(en), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft zij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had,
terwijl zij, verdachte, wist, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
(artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht)
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 17 april 2015 te Rotterdam en/of Barendrecht, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geldbedrag van in totaal 32.650 EURO althans enig(e) geldbedrag(en), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft zij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had,
terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
(artikel 420quater Wetboek van Strafrecht)
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en dat zij ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Daarbij heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat zij -in navolging van de rechtbank- niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte op 20 oktober 2014 een bedrag van ruim € 20.000,-- (1000 briefjes van
€ 20,--) heeft ontvangen van de medeverdachte
[naam], zodat zij in zoverre van het medeplegen van schuldwitwassen moet worden vrijgesproken.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat ten aanzien van het inbeslaggenomene als volgt zal worden beslist:
- verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 7.000,- (nummer 5 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen) en
- teruggave aan verdachte van de nummers 1, 2, 4 en 6 op die lijst.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde voor zover het betreft het (mede)plegen van witwashandelingen ten aanzien van een bedrag van € 20.000,-- (in 1000 briefjes van € 20,--).
De verdachte heeft bij herhaling ten stelligste ontkend dat zij 1000 briefjes van € 20,-- van de medeverdachte [naam], een toenmalige collega bij de Douane, heeft ontvangen. Die verklaring vindt steun in het derde verhoor van [de medeverdachte] door de politie d.d. 19 juli 2015, welke verklaring in hoger beroep in het dossier van de verdachte is gevoegd, terwijl andere bewijsmiddelen op basis waarvan buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte genoemd bedrag van [de medeverdachte] heeft ontvangen, ontbreken.
Voorts is het hof met de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat een bedrag van
€ 6.500,--, dat in haar woning is aangetroffen, niet van [de medeverdachte] afkomstig is maar door haar -verdachte- is gespaard op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk en verifieerbaar kan worden geacht, zodat zonder nader onderzoek -dat niet is verricht- niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat dat bedrag een legale herkomst heeft.
Ten aanzien van de overige geldbedragen (inclusief cadeaus), ter waarde van in totaal € 4.000,-- à
€ 5.000,--, waarvan is komen vast te staan dat de verdachte die wel van de medeverdachte [naam] heeft ontvangen, overweegt het hof dat de wijze waarop [de medeverdachte] zich tegenover de verdachte en andere collega’s presenteerde niet zonder meer kan gelden als omstandigheid waaruit volgt dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die geldbedragen (inclusief cadeaus) (on)middellijk uit misdrijf afkomstig waren.
Derhalve dient de verdachte van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Beslag
Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten van de voorwerpen die zijn vermeld op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, vermeld onder
nummers 1, 2, 4, 5 en 6 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Dit arrest is gewezen door mr. W.J. van Boven,
mr. A. de Lange en mr. R. van der Hoeven, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 juni 2023.