ECLI:NL:GHDHA:2023:1837
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging gezagsbeëindiging moeder over minderjarige wegens ongeschiktheid opvoeding
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de rechtbankbeschikking die haar het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind ontneemt en Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot voogd benoemt. De moeder stelt dat zij verbeteringen heeft laten zien en dat het besluit te voortvarend is genomen, terwijl de gezagsbeëindiging een schending van artikel 8 EVRM Pro inhoudt.
Het hof overweegt dat de moeder ondanks haar goede bedoelingen niet in staat is om binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding van het kind op zich te nemen. De minderjarige verblijft bij pleegouders, heeft een traumatisch verleden en heeft behoefte aan een stabiele en voorspelbare omgeving. De moeder blokkeert gezagsbeslissingen en toont onvoldoende inzet voor hulpverlening.
Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en oordeelt dat de beëindiging van het gezag noodzakelijk is in het belang van het kind. De moeder zal na de gezagsbeëindiging wel een belangrijke rol blijven spelen. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd en het beroep van de moeder afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de gezagsbeëindiging en wijst het beroep van de moeder af.