Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 17 april 2021 zonder betaling geparkeerd stond. De naheffingsaanslag bestond uit €2 parkeerbelasting en €65,30 aan kosten. Belanghebbende voerde aan dat hij slechts kortstondig had stilgestaan om een passagier te laten instappen, wat zou vallen onder de uitzondering van onmiddellijk in- of uitstappen van personen.
De Rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor deze uitzondering bij belanghebbende lag, maar dat hij dit niet aannemelijk had gemaakt. De door de Heffingsambtenaar overgelegde scanfoto’s toonden een afgesloten auto zonder personen in de nabijheid. Ook het argument dat de Verordening parkeerbelasting 2021 onverbindend zou zijn vanwege late bekendmaking van het maximale kostenbedrag werd verworpen.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof deze conclusies. Het hof stelde vast dat de term 'onmiddellijk' relatief is en dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat het instappen daadwerkelijk en direct plaatsvond. Daarnaast oordeelde het hof dat de kostenopbouw van de naheffingsaanslag voldoende aannemelijk was gemaakt en dat de late bekendmaking van het maximale kostenbedrag geen gevolgen had voor de geldigheid van de Verordening.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling toegewezen. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag en de gehanteerde kostenraming.