ECLI:NL:GHDHA:2023:2100
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot gedwongen schuldregeling tegen ABN Amro wegens onvoldoende inzicht in afloscapaciteit
Appellanten hebben bij de rechtbank Rotterdam verzocht om ABN Amro te bevelen in te stemmen met een schuldregeling tegen finale kwijting van een deel van hun schuld. De rechtbank wees dit verzoek af omdat het aanbod onvoldoende was gedocumenteerd en niet aannemelijk was dat het het uiterste was waartoe appellanten in staat waren.
In hoger beroep betoogden appellanten dat het aanbod van € 20.000,-, gefinancierd door familie en vrienden, het maximale was gezien hun medische beperkingen en leeftijd. ABN Amro stelde daartegenover dat het aanbod niet goed was gedocumenteerd, verwijzend naar onverklaarde stortingen en ontbrekende bankafschriften, en dat de schuld verwijtbaar was ontstaan.
Het hof oordeelde dat het aanbod onvoldoende inzichtelijk was, mede door onverklaarde stortingen en het ontbreken van bankafschriften van een andere rekening en betalingen aan ASR. Ook was onduidelijkheid over de werkcapaciteit van appellanten en mogelijke inkomsten uit oppasactiviteiten. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat ABN Amro in redelijkheid tot weigering kon komen.
Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam.