In deze zaak vordert verhuurder Voorst ontbinding van de huurovereenkomst met huurder [appellant] wegens een aanzienlijke huurachterstand die is ontstaan door de coronapandemie. [appellant] exploiteerde een restaurant in de gehuurde bedrijfsruimte en heeft vanwege overheidsmaatregelen (bijna) geen huur betaald. Hij vordert een huurprijsvermindering en stelt dat de boete en rente niet verschuldigd zijn.
De kantonrechter wijst de vorderingen van Voorst toe en wijst de vorderingen van [appellant] af. In hoger beroep bevestigt het hof dit oordeel, omdat [appellant] onvoldoende gegevens verstrekt om de huurkorting te berekenen volgens de vastelastenmethode. De boete blijft ongewijzigd omdat [appellant] niet aannemelijk maakt dat hij niet kon betalen en geen pogingen deed tot betaling.
Het hof wijst ook de schadevergoeding toe voor de kosten van ontruiming en herstel van het gehuurde, dat bij oplevering in slechtere staat verkeerde dan bij aanvang. Daarnaast wordt vergoeding van misgelopen huurinkomsten voor februari 2022 toegewezen. De vordering tot betaling van wettelijke rente wordt afgewezen omdat de contractuele boete deze vervangt. Het hoger beroep van [appellant] slaagt alleen voor het deel van de rente, dat wordt vernietigd.