Uitspraak
1.Inleiding en samenvatting
2.Het verloop van het geding in eerste aanleg
3.Het geding in hoger beroep
- de advocaat van de moeder en de zoon;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
Gerechtshof Den Haag
Deze zaak betreft een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een zoon die al door zijn vader is erkend. De vader is via DNA-onderzoek praktisch bewezen als biologische vader. De moeder en zoon vorderden gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, stellende dat dit meer juridische zekerheid en een sterkere positie bij het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit zou geven.
De rechtbank had de zoon niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. In hoger beroep oordeelt het hof dat de mogelijkheid tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet openstaat wanneer het vaderschap reeds door erkenning is vastgesteld. Dit volgt uit de letterlijke tekst, wetsgeschiedenis en het wettelijk stelsel van artikel 1:207 BW Pro. De gerechtelijke vaststelling is bedoeld als laatste mogelijkheid voor het vestigen van een familierechtelijke betrekking wanneer die nog niet bestaat.
Het hof stelt dat het juridische verschil tussen erkenning en gerechtelijke vaststelling geen relevant belang oplevert. De DNA-uitslag geeft reeds voldoende zekerheid over de afstamming, en de erkenning is door het DNA-onderzoek onweerlegbaar geworden. Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling kan niet worden ingezet met als enig doel het verkrijgen van nationaliteitsgevolgen. Het hof verklaart de moeder niet ontvankelijk en wijst het verzoek van de zoon af, waarbij iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap af omdat het vaderschap reeds door erkenning is vastgesteld en er geen relevant belang is voor gerechtelijke vaststelling.