Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 5 december 2023
[appellant (1)],
[appellante (2)],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak gaat het om de afwikkeling van de nalatenschappen van de ouders van partijen, waarbij geschil bestaat over de vraag of het pand waar appellant sub 1 woont tot de nalatenschap van de vader behoort, of sprake is van rechtsverwerking of afstand van recht door geïntimeerde, en of er sprake is van verkrijgende verjaring.
Het hof overweegt dat er geen sprake is van rechtsverwerking of afstand van recht door geïntimeerde, die de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Het economisch eigendom van het pand is niet overgedragen aan appellant sub 1 en erflaatster, en het beroep op verkrijgende verjaring faalt omdat de vereiste goede trouw ontbreekt en appellant sub 1 zich niet als bezitter heeft gedragen.
De peildatum voor waardering blijft de datum van verdeling; appellanten hebben onvoldoende feiten gesteld om hiervan af te wijken. De vordering tot vergoeding van investeringen in het pand door appellant sub 1 wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en strijd met goede procesorde.
Het hof vernietigt het vonnis voor zover de rechtbank oordeelde dat appellant sub 1 een bedrag van fl. 80.000,- aan erflater had betaald en daardoor recht had op een groter aandeel in het pand. De nabestaandenlijfrente wordt niet als quasi-legaat aangemerkt. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis voor zover appellant sub 1 een bedrag van fl. 80.000,- aan erflater zou hebben betaald en bevestigt dat het pand tot de nalatenschap behoort zonder overdracht van economisch eigendom.