ECLI:NL:GHDHA:2023:2534
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om oproeping vermiste en rechtsvermoeden van overlijden wegens onvoldoende bewijs
Verzoekster, traditioneel gehuwd met een vermiste persoon uit Eritrea, verzocht de rechtbank om de vermiste op te roepen om zijn in leven zijn te doen blijken en bij uitblijven daarvan een rechtsvermoeden van overlijden vast te stellen. De rechtbank wees dit verzoek af wegens onvoldoende bewijs. Verzoekster ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof bevestigde de afwijzing omdat de verklaringen van verzoekster onvoldoende zekerheid boden over het bestaan van de vermiste. Er was geen aanvullend bewijs, zoals verklaringen van familie of reisgenoten, en verzoekster gaf ter zitting een andere verklaring dan in eerdere verklaringen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. De inconsistenties en het ontbreken van bewijs maakten het onmogelijk om het bestaan van de vermiste als onzeker aan te merken.
Het hof benadrukte dat verzoekster vrij staat om echtscheiding te verzoeken om niet langer als gehuwd te worden geregistreerd in de Basisregistratie Personen. Het verzoek om oproeping en rechtsvermoeden van overlijden werd daarmee definitief afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek om oproeping van de vermiste en vaststelling van het rechtsvermoeden van overlijden is afgewezen wegens onvoldoende bewijs.