Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2023 definitief gescheiden. De zaak betreft het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag over partneralimentatie en de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
De vrouw vordert een hogere partneralimentatie en een andere verdeling van de goederen, waaronder de sloep en auto’s. De man betwist de behoeftigheid van de vrouw, zijn draagkracht en verzoekt om een lagere of nihil partneralimentatie en een limitering in de tijd.
Het hof stelt de behoefte van de vrouw vast op €2.234 netto per maand en gaat ervan uit dat zij in staat is om ten minste het minimumloon te verdienen, waardoor haar netto aanvullende behoefte €284 per maand bedraagt. De draagkracht van de man wordt berekend op basis van een gemiddelde winst uit onderneming van €113.571 per jaar, met aftrek van fiscale posten, en komt uit op €628 netto per maand. Het hof bepaalt de partneralimentatie op €552 bruto per maand met ingang van de inschrijving van de echtscheiding.
De waarde van de sloep wordt vastgesteld op €22.000 en aan de man toegedeeld. De vrouw mag de helft van deze waarde aan de man voldoen. De vrouw’s verzoek dat de Mini One niet tot de huwelijksgemeenschap behoort wordt afgewezen. Diverse kosten worden verdeeld conform wettelijke regels. De proceskosten worden gecompenseerd.