Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2023:2696

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 september 2023
Publicatiedatum
25 januari 2024
Zaaknummer
AV000985-23 AV000986-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheer in artikel 12 Sv-procedure wegens ontbreken van vooringenomenheid

In deze zaak dienden [naam A] en [naam B] een wrakingsverzoek in tegen de oudste raadsheer van de beklagkamer, vanwege een vraag die tijdens een raadkamerzitting werd gesteld en die volgens hen de schijn van partijdigheid wekte.

De raadsheer stelde tijdens de zitting een vraag over de gevolgen van een strafrechtelijke vervolging, wat door de verzoekers als partijdig werd ervaren. De advocaat-generaal concludeerde primair tot niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding, maar subsidiair tot afwijzing van het verzoek wegens het ontbreken van vooringenomenheid.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek tijdig was ingediend gezien de omstandigheden en dat de vraag van de raadsheer in de context van de opportuniteit van de vervolging was gesteld. Er was geen uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleverde.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en is de onpartijdigheid van de raadsheer bevestigd.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheer is afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummers: AV000985-23 (naam A) en AV000986-23 (naam B)
Kenmerken beklagzaken (ex art. 12 Sv Pro): K22/220576 (naam A) en K22/220575 (naam B)
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de beklagzaken met voormeld kenmerk, ingediend namens:

[naam A] en

[naam B],
hierna te noemen: [naam A] en [naam B],
gemachtigde: [gemachtigde].

Het geding en de feiten

1. In de beklagzaken zijn [naam A] en [naam B] met hun gemachtigde verschenen op de raadkamerzitting van 9 augustus 2023, alwaar mr. K.I. de Jong, T.E. van der Spoel en S.A.J. van ‘t Hul zitting hadden.
2. Bij brief van 22 augustus 2023, binnengekomen bij het hof op 24 augustus 2023, heeft de gemachtigde namens [naam A] en [naam B] een verzoek tot wraking van de oudste raadsheer, mr. Van der Spoel, gedaan.
3. De raadsheer heeft in zijn schriftelijke reactie van 6 september 2023 laten weten niet in de wraking te berusten.
4. De wrakingskamer heeft het verzoek op 15 september 2023 in raadkamer behandeld, waar [naam A] en [naam B] en hun gemachtigde zijn gehoord via een digitale verbinding. De gewraakte raadsheer is niet verschenen. De advocaat-generaal mr. G.K. Schoep heeft zijn standpunt uiteengezet.

Het wrakingsverzoek

5. Het wrakingsverzoek houdt – zakelijk weergegeven – in dat de genoemde raadsheer tijdens de raadkamerzitting van 9 augustus 2023 van de beklagkamer heeft gevraagd of [naam A] en [naam B] beseffen dat hun aangiftes beklaagde niet zullen helpen, en dat hij daarmee de schijn van partijdigheid heeft gewekt.
6. De gewraakte raadsheer heeft in zijn schriftelijke reactie aangevoerd dat de beklagkamer zich (onder andere) buigt over de opportuniteit van de vervolging en dat in die context door hem de vraag is gesteld of [naam A] en [naam B] zich ervan bewust zijn dat een strafrechtelijke vervolging ook een averechts effect kan hebben. Daarbij heeft de raadsheer vermeld op de hoogte te zijn van de problematiek in de buurt waar de bedreiging heeft plaatsgevonden en van het standpunt van beklaagde. De raadsheer heeft ontkend dat hij heeft gezegd dat de aangiften
beklaagdeniet zouden helpen. De vraag was erop gericht om de gevolgen die een strafrechtelijke vervolging van beklaagde voor
klaagsters([naam A] en [naam B]) kunnen hebben, uiteen te zetten.
7. De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [naam A] en [naam B], omdat het verzoek tot wraking niet tijdig is gedaan. Subsidiair heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek, omdat geen sprake is van vooringenomenheid dan wel van een naar objectieve maatstaven gerechtvaardigde schijn van partijdigheid van de gewraakte raadsheer. De advocaat-generaal heeft daarbij naar voren gebracht dat hij zich de gestelde vraag anders herinnert dan [naam A] en [naam B] en dat de context van de vraag – te weten de opportuniteit van de vervolging en de gevolgen voor [naam A] en [naam B] - ter zitting is besproken.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

8. De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek in dit geval tijdig is gedaan. Hoewel het wrakingsverzoek dertien dagen na de zitting bij het hof is ingediend, neemt de wrakingskamer in aanmerking dat [naam A] en [naam B] hebben verklaard dat zij niet eerder een artikel 12 Sv Pro-procedure hebben gevoerd, laat staan een wrakingsverzoek hebben ingediend in zo’n procedure, en dat zij moesten uitzoeken of en hoe een wrakingsverzoek mogelijk was, dat zij nog wilden overleggen met hun gemachtigde en dat een en ander vertraagd werd door de vakantieperiode. [naam A] en [naam B] zijn dus ontvankelijk in het wrakingsverzoek.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

9. Op grond van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van de
verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van
feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen
lijden. Blijkens de jurisprudentie geldt deze bevoegdheid ook voor een klager/beklaagde in een artikel 12 Sv Pro-procedure.
10. Volgens vaste jurisprudentie moet de rechter uit hoofde van zijn aanstelling worden
vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die
een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeksters
een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeksters dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
11. De wrakingskamer stelt vast dat [naam A] en [naam B] door de vraag van de raadsheer zich in de kou hebben voelen staan. Ter zitting is dat gevoel kennelijk niet weggenomen.
11. De wrakingskamer stelt voorop dat de beklagkamer de taak heeft om een zaak waarover een klacht ex artikel 12 Sv Pro is ingediend, van verschillende kanten te onderzoeken alvorens tot een beslissing te komen. In dat kader zijn de mogelijke gevolgen van een vervolging van beklaagde voor de klagende partijen, ter zitting besproken. Ook als de raadsheer de woorden heeft gebruikt die [naam A] en [naam B] stellen, geldt dat zijn vraag in die context is gesteld. Dat blijkt ook uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting, het standpunt van de advocaat-generaal en de toelichting op het wrakingsverzoek door de gemachtigde op de zitting van de wrakingskamer. Nu de context duidelijk is geweest, is het enkele feit dat een vraag mogelijk ongelukkig is gesteld of vervelend is overgekomen geen uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de raadsheer jegens [naam A] en [naam B] een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij [naam A] en [naam B] dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
13. De conclusie van het voorgaande is dat het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:
  • wijst het verzoek tot wraking af;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de gemachtigde van [naam A] en [naam B], genoemde raadsheer en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven op 29 september 2023 door mrs. I. Reijngoud, E.M. Dousma-Valk en M. Koole, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M. Grasman.
Deze beslissing is getekend door de voorzitter en de griffier.