Partijen zijn gehuwd geweest en hebben drie minderjarige kinderen. Na hun echtscheiding is in een ouderschapsplan vastgelegd dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader in Marokko is. De moeder vordert in kort geding onder meer vervangende toestemming voor reisdocumenten en wijziging van de hoofdverblijfplaats naar Nederland.
De voorzieningenrechter verklaarde zich onbevoegd de vorderingen van de moeder te behandelen. Het hof bevestigt dit oordeel, omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen sinds de zomer van 2021 in Marokko is gelegen, waardoor de Verordening Brussel II ter niet van toepassing is.
Ook op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag kan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht ontlenen, aangezien de kinderen niet ongeoorloofd zijn achtergehouden en de moeder geen verzoek tot terugkeer binnen een jaar bij de Marokkaanse rechter heeft ingediend.
De moeder heeft aangevoerd dat zij het ouderschapsplan onder druk heeft getekend, maar dit is onvoldoende om de rechtsgeldigheid van het plan te betwisten, temeer daar zij geen procedure tot wijziging of vernietiging heeft ingesteld.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen van de moeder af wegens gebrek aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter.