In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam is de verdachte vrijgesproken van het eerste tenlastegelegde feit en veroordeeld voor het tweede, namelijk het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting over meerdere maanden tussen 2013 en 2016.
Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak van het eerste feit wegens wettelijke uitsluiting. Voor het tweede feit bevestigt het hof de bewezenverklaring en vernietigt het vonnis alleen voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, waarna het een nieuwe straf oplegt.
Procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte zijn door het hof geaccepteerd, waarbij de verdachte vrijwillig afstand deed van bepaalde verdedigingsrechten. Gelet op de ernst van de belastingfraude, de omvang van de benadeling van de Belastingdienst, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de ouderdom van de feiten, legt het hof een taakstraf van 240 uur op, waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.
De verdachte heeft geen eerder strafblad en er zijn geen slachtoffers of benadeelden in deze zaak. De opgelegde taakstraf wordt verminderd met de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, volgens de maatstaf van twee uur taakstraf per dag voorarrest.
Het arrest is gewezen door het hof Den Haag op 27 november 2023 en bevestigt het vonnis voor het overige.