In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte opzettelijk verdovende middelen, te weten amfetamine en GHB, in haar woning aanwezig had. De politie trof op 4 oktober 2019 aanzienlijke hoeveelheden van deze middelen aan in de woning van verdachte. De verdachte verklaarde dat de amfetamine en GHB door haar ex-partner in de woning waren geplaatst zonder haar medeweten.
Het hof onderzocht de bewijsvoering en concludeerde dat hoewel de aanwezigheid van de middelen wettig en overtuigend was vastgesteld, onvoldoende bewijs bestond dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de middelen in haar woning aanwezig waren. De verklaring van verdachte dat zij de middelen niet kende kon niet worden weerlegd.
De verdediging voerde een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas), maar het hof verwierp dit omdat verdachte niet grondig genoeg had gezocht na een ruzie met haar ex-partner. Gezien de omstandigheden en de wederzijdse aangiftes achtte het hof het passend om geen straf of maatregel op te leggen. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en verdachte werd vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van de middelen.