De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, voor deelname aan de terroristische organisatie Ahrar al-Sham in de periode 2012-2013. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en de verdachte vrijgesproken omdat het bewijs onvoldoende was om deelname aan de organisatie wettig en overtuigend vast te stellen.
Het bewijs bestond uit foto’s waarop de verdachte met wapens poseert, chatgesprekken, een groepsfoto met leiders van Ahrar al-Sham, een video van hulpverleningsactiviteiten en getuigenverklaringen. Het hof oordeelde dat de foto’s weinig gewicht hadden omdat ze niet op het slagveld waren genomen en de verdachte niet in gevechtskleding stond. De groepsfoto en chatgesprekken waren onvoldoende om lidmaatschap aan te tonen. De hulpverleningsactiviteiten werden niet als opzettelijke steun aan het terroristische oogmerk gezien, mede omdat de verdachte zich gedwongen voelde mee te werken en de stickers van Ahrar al-Sham werden opgeplakt zonder zijn instemming.
De getuigenverklaringen waren onbetrouwbaar en niet bruikbaar als bewijs. Het ambtsbericht dat de verdachte emir zou zijn geweest, bracht geen verandering in het oordeel. Het hof concludeerde dat het Openbaar Ministerie niet wettig en overtuigend had bewezen dat de verdachte deelnam aan Ahrar al-Sham en sprak hem vrij.