ECLI:NL:GHDHA:2024:1448
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte in hoger beroep wegens gebrek aan bewijs verkrachting en dwang
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor verkrachting en dwang, waarbij werd gesteld dat hij op of omstreeks 26 augustus 2021 te Rotterdam zonder condoom vaginale seks met aangeefster zou hebben gehad tegen haar wil. De rechtbank had verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor het subsidiair tenlastegelegde. Zowel verdachte als het Openbaar Ministerie gingen in hoger beroep.
De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. Het hof onderzocht het bewijs, waaronder verklaringen van aangeefster en verdachte, alsmede WhatsApp-berichten. Aangeefster verklaarde dat zij consensuele seks had onder de voorwaarde van condoomgebruik, maar dat verdachte zonder haar instemming het condoom had verwijderd. De verdachte ontkende dit en wees op ambiguïteit in de WhatsApp-berichten.
Het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om het primair en subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend vast te stellen. De verklaring van aangeefster en de WhatsApp-berichten boden geen sluitende bevestiging. Daarom sprak het hof verdachte vrij van alle tenlasteleggingen. De vordering tot schadevergoeding van aangeefster werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat het tenlastegelegde niet bewezen is. De benadeelde partij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van verkrachting en dwang.