Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep in een complexe echtscheidingszaak waarin de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding centraal stond. Partijen waren gehuwd onder uitsluiting van gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding. De man en vrouw exploiteerden beiden eenmanszaken in hetzelfde bedrijfspand, dat onderdeel was van het geschil.
De rechtbank had eerder de echtscheiding uitgesproken en diverse beslissingen genomen over gebruiksvergoeding, verdeling van het pand, bankrekeningen, inboedel, auto's, polissen en verrekening van de eenmanszaken. De man was niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot betaling van eigenaarslasten. In hoger beroep stelde de man onder meer dat de waarde van het pand niet in de verrekening betrokken mocht worden omdat het deels via erfenis was verkregen en dat aflossingen waren gedaan met schenkingen van zijn moeder.
Het hof oordeelde dat de waarde van het pand en het ondernemingsvermogen niet dubbel in de verrekening mochten worden betrokken om dubbeltellingen te voorkomen. De man kon geen bewijs leveren dat aflossingen met schenkingen waren gedaan, waardoor deze bedragen wel in de verrekening werden betrokken. De gebruiksvergoeding was terecht vastgesteld voor zes maanden na ontbinding van het huwelijk. De rechtbank had terecht geoordeeld dat aflossingen voor de ontbinding niet in de verrekening hoefden te worden betrokken.
Het hof stelde vast dat de man aan de vrouw een bedrag van €9.638,- verschuldigd is na verrekening van de waarde van het pand en het ondernemingsvermogen. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd. De beschikking werd deels vernietigd en deels bekrachtigd.