Belanghebbende, werkzaam als pakketbezorger, kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat hij op een parkeerplaats zonder betaling stond geparkeerd. De rechtbank oordeelde dat sprake was van onmiddellijk laden en lossen, waardoor geen parkeerbelasting verschuldigd was, en vernietigde de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar ging in hoger beroep en stelde dat het criterium van onmiddellijk laden en lossen per bezorgadres moest worden beoordeeld, wat niet was voldaan.
Het gerechtshof bevestigde de uitleg van de rechtbank en verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat het totaal van de te bezorgen pakketten van zodanige omvang en gewicht moet zijn dat deze niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig kunnen worden gebracht. Gezien het grote aantal en de omvang van de pakketten die belanghebbende die dag moest bezorgen, was het redelijk dat hij per auto vervoerde.
Daarmee was belanghebbende tijdens het parkeerincident bezig met onmiddellijk laden en lossen en was hij ingevolge de gemeentelijke verordening en de Gemeentewet geen parkeerbelasting verschuldigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bleef in stand en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van griffierecht.